Afdrukken

STAD EN LANDE.

(GRONINGEN EN DE OMMELANDEN).

 

(Hierbij de bladen 1, 2, 4, 5 en 8).

 

Dit gewest was tijdens de Republiek staatkundig-rechterlijk te verdelen in:

De stad Groningen met haar rechtsgebied.

De landen waarvan het rechtsgebied aan de stad toekwam, nl. Selwerd, het Gooregt, Sappemeer en de beide Oldambten.

Westerwolde behoorde eigenlijk niet tot deze Provincie, maar was een Heerlijkheid die in 1619 door koop aan de stad Groningen kwam; ook was van de vonnissen in civiele en criminele zaken aldaar gewezen beroep op het Provinciale Hof van Justitie (Hooge Justitiekamer).

De Ommelanden, n.l. Hunsingoo, Fivelgoo en het Westerkwartier.

Ten aanzien van het burgerlijk en lijfstraffelijk rechtsgebied waren de Ommelanden verdeeld in redgerechten voor zoveel Hunsingoo en Fivelgoo en in grietenijen voor zoveel het Westerkwartier betreft. In dat deel van dit laatste dat Middacht genaamd werd en dat oorspronkelijk tot Hunsingoo behoorde, sprak men ook van redgers en redgerechten.

De redgers (redjeva, consules) in Hunsingoo en Fivelgoo zouden ontstaan zijn uit de vroegere asega’s, die het vonnis gaven en uitspraken. De schelta, hier ook frana, die de rechtsvorderaar en uitvoerder van de vonnissen was, verdween hier voor en na en bleef slechts in sommige gebieden als de hierna te noemen overrechter over. Zijn oorspronkelijke taak kwam langzamerhand mede aan de redger.

In het Westerkwartier handhaafde zich echter de Schelte, hier evenals in Friesland ten westen van de Lauwers onder de naam van Grietman, vroeger ook wel in sommige onderdelen Keder genaamd. Maar hier verdwenen zijn mederechters of bijzitters die het vonnis gaven, terwijl hij zelf langzamerhand alle macht aan zich trok. Het merkwaardige in de rechtspraak in de Ommelanden tijdens de Republiek is dus, dat in alle rechtsgebieden de gehele rechtsmacht in één enkel persoon verenigd was. Dit kwam in geen ander gewest voor.

In Hunsingoo en Fivelgoo kwamen ook overrechters voor, in het laatste ook wel lankrechters genoemd, die volgens sommigen, op grond van hun taak en hoger aanzien als overblijfsel van de schelta’s of frana’s beschouwd worden. Zij kwamen niet in alle rechtstoelen voor. Hun taak werd hoe langer hoe meer ingekrompen en vertoonde ten slotte nog slechts een bouwval van het vroeger zoo gewichtige schoutambt. Zij spraken op de warven (particuliere warven van de onderdelen en gemeenelandswarven te Groningen) het vonnis uit in zaken van beroep, die warven werden echter door het Reglement Reformatoir van 1749 geheel opgeheven. Zij deden ook uitspraak in geschillen omtrent de waarneming van het redgerambt en dit belangrijk deel van hun taak hebben zij tot het laatst behouden. Volgens het Ommelander Landrecht van 1601 (Boek 1) namen zij bij het overlijden van een redger diens rechtstoel waar, als deze geen erfgenamen naliet die in zijn plaats konden treden, tot het einde van het jaar, of in processen die de redger zelf met iemand in zijn gerecht had. Ook berechtte hij mede lijfstraffelijke zaken en nam het gerecht waar in civiele zaken, met uitsluiting van de gewone redger, gedurende zeven weken ’s jaars dit laatste waarschijnlijk afkomstig uit de tijd, toen de gewone rechters nog elk jaar opgingen naar de vergadering aan de Upstalboom en in hun afwezigheid moesten worden vervangen. Maar het berechten van misdaden en misdrijven door de overrechters, hoewel niet door een wet afgeschaft, is in de 17e eeuw allengs nagenoeg in onbruik geraakt.

In het Westerkwartier waren ook huurrechters, in Langewold, Vredewold en Humsterland ook dorprechters genoemd, evenals de dorprechters in Friesland uit de atten ontstaan, die met de dorpsheemraden in Holland, enz. overeenkwamen. Zij berechtten enige kleinere zaken beneden vijf mark of twee daalder of breuken beneden die som, oordeelden over de gegrondheid van het schutten van vee, hadden opzicht over het graven en schoonhouden van gemene wateringen, enz.; van hun vonnissen was beroep op de Grietman. In elk dorp of kerspel waren er één of twee; zij namen hun ambt slechts voor één jaar waar, dat bij toerbeurten over zekere heerden omging. (Zie mijn Dijk- en Waterschapsrecht vóór 1795 i. v. Buurrecht).

Tot goed begrip van het volgende moet ook gelet worden op de wijze waarop redgers en grietslieden in de Ommelanden tot hun ambt werden geroepen. Hoewel misschien ook de redgers, althans voor de 13e eeuw werden verkozen, ging later de waarneming van hun ambt evenals dat van de Grietmannen in het Westerkwartier bij toerbeurten om bij de opgezetenen van de oude erfgronden, van heerden, heemen en huizen daartoe gerechtigd en wel naar der zonne ommegang, beurtelings vallend in de verschillende kluften of dauwen van de dorpen die samen één rechtstoel hadden („naar der dauwen ommegang”). Deze zuivere volksregering verbasterde echter, toen niet meer werd toegezien, dat men op de bedoelde erfgronden moest wonen om het ambt van rechter waar te nemen en de vermogendsten die veel van die gronden kochten, verkregen daardoor zeer veel ommegangen, die toen niet meer een persoonlijk recht bleven, maar een recht werden, gehecht aan de grond. Nog later werd dat recht ook van de grondeigendom gescheiden en verkocht men het afgescheiden van de eigendom van het land, waarop het rustte, waardoor enkele van de aanzienlijksten soms in het bezit kwamen van alle ommegangen van een gerecht. Zulke rechterstoelen (reedschappen) noemde men dan staande. Aan de uitbreiding van dit euvel, waardoor de rechtspraak voor een groot gedeelte in handen kwam van weinige aanzienlijke geslachten, werd eerst door het Reglement Reformatoir van 1749 een eind gemaakt. Maar de tot dien tijd verkregen rechten bleven behouden.

In elk rechtsgebied waren de „edele” heerden, heemen, enz., d.w.z. die waarover de clauwbeurten omgingen, met de jaren dier beurten opgetekend in een clauwbrief, clauwboek, clauwregister of dauw e.

Soms, in later tijden zelfs in de regel, namen de rechters in de Groninger Ommelanden niet zelf hun ambt waar, maar deden dat bedienen door substituutrechters, ten tijde van de Republiek in de regel door rechtsgeleerden of advocaten.

De lank- of overrechten gingen ook over daartoe gerechtigde heerden en heemen om, die echter in het algemeen niet dezelfde waren als die voor de redgerrechten. Op vele plaatsen in Hunsingoo werden de lank of overrechters gekozen.

Voor meer bijzonderheden, met bronnenvermelding, omtrent het bovenstaande zie mijn Dijk- en Waterschapsrecht in Nederland vóór 1795 i. v. Redger, Grietman, Clauwe (naar der Clauwen ommegang), Heerd, Overrechter.

Op de gemeenelandswarven (Ooster- en Westerwarf) op het Raadhuis te Groningen, die de zogenaamde particuliere warven bijeenkomsten van de rechters in de grote onderdeden langzamerhand vervingen op het laatst van de 14e en begin van de 15e eeuw, behandelde men niet alleen gemeenelands belangen en wetgeving, maar werd ook recht gesproken in enkele belangrijke zaken in eerste instantie en tevens in hoger beroep van vonnissen in civiele zaken in de Ommelanden gewezen. De warf bestond behalve uit een onbepaald aantal hoofdlingen en rechters van de Ommelanden uit 5 Hoofdmannen uit burgers van de stad en edelen uit de Ommelanden door de Raad gesteld. Langzamerhand gingen deze laatsten een soort van permanent en ook zelfstandig college vormen, dat aanvankelijk alleen kleine zaken tussen de warven afdeed. Zo ontstond naast de warven een bijzondere Vierschaar, de Hoofdmannenkamer genaamd, waaraan vele zaken ter behandeling werden overgelaten. De Hoofdmannenkamer onderging nu en dan verandering of werd tijdelijk vernietigd; na de reductie van 1594 bleef zij recht oefenen en in 1646 werd zij met 4 leden uitgebreid, waarvan 3 door de Ommelanden voorgedragen. De Voorzitter had de titel van Lieutenant (plaatsvervanger van de Stadhouder).

De eenzijdige samenstelling van deze rechtbank en misbruiken, die gedeeltelijk daarvan een gevolg waren, waren voortdurende grieven van de Ommelanden en waren voor een groot deel oorzaak van het oproer van 1748. Zij werd daarom bij het daarop gevolgde Reglement Reformatoir van 27 Nov. 1749 vernietigd en vervangen door een Provinciaal Hof van Justitie („het Hof” of de Hooge Justitiekamer) of, als men wil, de Hoofdmannenkamer werd verbeterd en tot genoemd Hof „geërigeerd”.

Het Hof was samengesteld uit de Luitenant en acht Hoofdmannen, die echter rechtstreeks, dus zonder nominatie, door de Erfstadhouder werden gekozen en aangesteld. Deze Hooge Justitiekamer sprak over sommige zaken in eerste instantie recht en was tevens Hof van appel, niet alleen in civiele maar nu ook in criminele zaken, waarin door enig rechter in het gewest vonnis was gewezen. Dit gold zelfs ook voor de vonnissen door Burgemeesteren en Raad van de stad Groningen geveld, nl. in civiele zaken boven de 250 gulden hetzij in die welke door hen in eersten aanleg waren geoordeeld hetzij bij beroep van de gerichten in de Stads bezittingen; en in het crimineel in zaken zonder bekentenis van den misdadige of als deze niet reeds vroeger aan de lijve gestraft was, maar ook deze konden slechts uitgevoerd worden na onderzoek en goedkeuring door het Hof.

Van de criminele vonnissen van het Drostengericht in Westerwolde was evenals van die in de andere Stads bezittingen beroep op het Hof; maar van de vonnissen in het civiel in de beide richterambten aldaar gewezen, kon worden geappelleerd bij de Drost. Ook in zijl- en dijkzaken trad het Hof rechterlijk, maar ook toeziend en besturend op; van alle vonnissen van scheppers, dijk- en zijlrechters, was beroep op het Hof, meer uitvoerig werd een en ander omschreven in het Reglement voor alle schepperijen, dijk- en zijlregters van 18 Augustus 1755.

 

Indeling.

Stad Groningen.

Gericht van Selwerd, bestaande uit het eigenlijke Selwerd ten noorden van de stad en uit het Gooregt; over het gehele gericht één Ambtman met bijzitters.

Rechtstoel Sappemeer. De Richter was de Ambtman van Selwerd, doch zonder bijzitters.

Het Wold-Oldambt, waarover een Drost.

Het Kleine of Klei-Oldambt, waarover een Richter.

Drostambt Westerwolde. Dit crimineel gericht bestond uit de Drost, de beide Richteren van Westerwolde en Bellingewolde en 2 Landsbijzitters.

Deze Heerlijkheid was voor burgerlijke zaken verdeeld in

het Richterambt Westerwolde,

het Richterambt Bellingewolde.

 

Hunsingoo.

Dit bevatte de volgende Redgerechten:

Adorp en Harsens.

Sauwert.

Wetsinge.

Onderwierum en Bedum.

Bellingeweer en Winsum.

Maarslacht, half Mensingeweer,

Obergum en Saaksumhuizen. Met overrechten voor Maarslacht en half Mensingeweer en voor Obergum en Saaksumhuizen.

Warfhuizen. Met een overrecht.

Zuurdijk en Wehe.

De Kampen.

Groote Reedschap, waaronder behoorden de dorpen Ulrum, Vliedorp, Nieuwkerk en Vierhuizen.

Hornhuizen. Kloosterburen. Met een overrecht.

Leens. Met een overrecht.

Menkeweer en Huizinge.

Maarhuizen, Ranum, Bafloo en half Mensingeweer. Met een overrecht.

Tinallinge, Raskwerd en de Andel. Met een overrecht.

Eenrum, Pieterburen en Westernieuwland. Met overrechten te Eenrum, Pieterburen en Westernieuwland.

Wierhuizen. Met een overrecht.

De Breede en Warfum. Met overrechten te De Breede en te Warfum. Uskwerd, Met een overrecht te Wester- en een te Ooster-Uskwerd.

Uithuizen. De twee overrechten te Wester- en Ooster-Uithuizen door het Redgerecht geabsorbeerd.

Uithuizermeeden. Met een overrecht te Wester- en een te Ooster-Meeden.

Ooster-Nieuwland, Oudezijl, Zandeweer en Rottum. De voormalige overrechten in het Redgerecht geabsorbeerd.

Kantens, Stitswerd en Eppingehuizen. Met een overrecht te Kantens, een te Stitswerd (waaronder Eelswerd) en een te Eppingehuizen (waaronder Startinghuizen).

Middelstum, Doornwerd en Westerwijtwerd. Met een overrecht te Middelstum en een te Doornwerd (waaronder Engeweer).

Westerdijkshorn. Ter Laan en het Reiderland. Met een overrecht.

Ellerhuizen.

Noordwolde.

Zuidwolde.

 

Fivelgoo.

Dit bevatte de volgende redgerechten:

Garmerwolde, Tezinge, Ten Boer, Sint Anne en de Heidenschap.

Lellens. Met een lankrecht.

Stedum, Westeremden en Garshuizen. Met één lankrecht voor Westeremden en Garshuizen.

Loppersum en Wirdum. Met een lankrecht in elk dezer dorpen.

Een gedeelte van ’T Zand, Leermens, de Rijp en Enum. Met een lankrecht voor ’T Zand en Leermens en een voor de Rijp en Eenum.

De Vierburen, nl. Godlinze, Losdorp, Spijk en Bierum. Met een lankrecht voor Godlinze en Losdorp en een voor Spijk.

Oosterwijtwerd, Jukwerd en Krewerd.

Tjamsweer, Appingedam en Opwierda. Bovendien was hier een stedelijk Bestuur van Richteren of Eedgenooten ten Damme of Burgemeesteren van de stad Appingedam, die in enige zaken van burgerlijke en administratieve aard hadden te oordelen en zekere rechten bezaten (zie Tegenwoordige Staat van Stad en Lande XXI, blz. 357 e. v.)

Solwerd en Uitwerda.

Marsum en Holwierda.

Delfzijl.

Farmsum, Weiwerd, Heveskes, Oterdum en Meedhuizen.

Siddeburen en Oostwolde.

Hellum en Schildwolde.

Slochteren en Kolham.

Scharmer.

Harkstede.

Woltersum.

Het Eesterrecht, waaronder Wittewierum, Garrelsweer, ten Post en een gedeelte van ’t Zand. Met één lankrecht te Oostrum (Eestrum) en Buiten Spijkumerweg en één te Wittewierum, Garrelsweer en ten Post.

Het Westerkwartier.

Hiertoe behoorden de volgende grietenijen:

Vredewold.

Ooster-Langewold (Oosterdeel-Langewold).

Wester-Langewold (Westerdeel-Langewold).

Visvliet.

Oosterwaard. }

Middelwaard. }

Westerwaard. } de Ruige Waard.

Niehove.

Humsterland.

Ezinge.

Hardeweer.

Feerwerd.

Aduard.

Dorkwerd en Leegkerk.

Hoogkerk.

Platvoetshuis.

 

Begrenzingen.

Wat de landsgrenzen betreft, de oostelijke tegen Munster en Pruisen (Oost-Friesland) verschillen op de Kaart van Th. Beckeringh Kaart of Landtafereel van de Provincie Groningen en Ommelanden, enz. van 1774 nog van de tegenwoordige. Maar zij kwamen toch in 1795 met deze laatste overeen, daar de door de Conventie van Munster van 11 Oktober 1784 tussen Munster en de Staten-Generaal vastgestelde grenzen langs Westerwolde, dus tot de grens van Oost-Friesland, niet meer veranderd zijn (behalve in de Franse tijd 1806 – 1813). Dit blijkt uit het Traktaat van Meppen van 2 Juli 1824. Van daar tot de Statenzijl worden de Moersloot en de A als grenswateren opgegeven (behoudens de omlegging om de Nieuweschans), maar ook op de Kaart van Beckeringh loopt de grens daarlangs (zie W. A. F. Bannier. De Landgrenzen van Nederland I, blz. 73, enz.)

De zuidwest grens tegen Drenthe was echter in 1795 nog een andere dan de tegenwoordige of liever zij stond niet vast en heeft ook reeds lang daarvóór aanleiding gegeven tot twisten tussen de beide gewesten, die meer dan twee eeuwen geduurd hebben. Die grens toch liep van het Zuidlaarder Meer tot bij ter Apel door de venen, die in die tijden nog als van weinig waarde werden beschouwd, en is op de oude slecht getekende kaarten van Groningen en van Drenthe door een bochtige lijn aangegeven, die de Mussel A snijdende een eind zuidwaarts ten oosten daarvan loopt tot een eind ten zuiden van ter Apel (o. a. op de Kaart van Sanson. La Seigneurie d’OverYssel, subdivisée en trois parties Sallant, Twente et Drenthe van 1692 en op die van Car. Allard. Dominii Groningae nee non maximae partis Drentiae. Die lijn, nog op het kaartje van 1795 in de Tegenwoordige Staat der Nederlanden Deel XX, getekend, is echter door de mistekening van het geheel niet wel op onze tegenwoordige Topografische Kaart over te brengen.

Toen in 1614 de Prior van ’t Klooster ter Apel overleden was en daarmede geschil was gerezen tussen Drenthe en Groningen (Westerwolde), lieten Drost en Gedeputeerden van het eerste gewest door de Friese Landmeter Jan Sems een onderzoek doen naar bedoelde grens. Deze heeft dit verricht met de Landschaps-Landmeter Jan de la Haey en als uitslag daarvan een kaart met toelichting ingediend 2 Maart 1615. De door hem voorgestelde grenslijn, gewoonlijk genoemd de Semslinie, de Scheidgruppel of eenvoudig de Grup, werd op het terrein uitgebakend en door een greppel aangeduid. Zij liep van zeker punt bij het gehucht Wolfsbergen, ten oosten van het Zuidlaardermeer geheel recht zuidoostwaarts tot het Huis ter Haar aan de Ruiten A en dan over de Ruitenabrug bij die plaats recht naar Lintelo buiten onze tegenwoordige grens ten zuiden van Rütenbrock. Deze grens was noordwestwaarts gericht op de Sint Martinitoren te Groningen; in het zuiden liet zij het Klooster ter Apel aan de west zijde, dus op Drents gebied. Een tweede afbakening had op last van de Stadhouder nog in Oktober van hetzelfde jaar plaats in tegenwoordigheid van gecommitteerden uit Westerwolde, Wedde en Onstwedde, die verklaarden dat het zuidelijk deel van de scheidingslijn (ongeveer van Buinerhorne of van de Barkelazwet) meer naar de Drentse zijde moest lopen naar een Ruitenabrug die meer zuidelijk lag over een tak van de Ruiten A die ten westen van het Klooster ter Apel loopt, zodat dit nog binnen het gebied van Westerwolde lag. Die van Onstwedde beweerden zelfs dat de grens tussen Onstwedde en Valte langs de Mussel A liep.

Eindelijk werd in 1644 een compromis aangegaan over de grenzen in de Valtervenen, dat niet in overeenstemming was met de Semslinie, maar gelijk was aan de hierna te noemen grensregeling van 1817. Maar nu werd de twist noordwaarts verplaatst en sloeg soms zelfs tot feitelijkheden over, toen men in het midden van de 17e eeuw aan de Groningse zijde de venen ging ontginnen en daarbij als grens beschouwde de Semslinie, die inderdaad ten noorden van Buinerhorne veel verder naar de Drentse zijde lag dan de oude gebogen grenslijn door de venen. Vooral de ontginning van de Zuidbroeker Venen door Wildervank c. s. gaven daartoe aanleiding. In de Zuidlaarder Venen is zelfs een driehoekig gedeelte tussen de Meulenraai en de Semslinie van Annerveensch Kanaal in het zuiden tot Lula in het noorden en waarin ook Windeweer ontstond, welks grenzen door Hare Hoogmogenden waren aangegeven, door beide partijen na 1713 als een soort gemeenschappelijk territorie beschouwd.

In de Franse tijd kwamen nog wel geschillen in de venen voor, maar de eigenlijke grenskwestie bleef rusten, doordat de oude provinciale grenzen niet meer golden. Na ons herstel is eindelijk deze quaestie voor goed geregeld. Bij Koninklijk Besluit van 5 April 1817 werd de grens bepaald langs de Semslinie tot de Barkelazwet, waarbij de eigendom van 60 Roeden beoosten de Semslinie tussen de Jachtveensloot en de Barkelazwet aan de Drentse veengenooten werd verzekerd; voorts liep de grens in rechte lijn op Drenbeek, zoals dit punt ten oosten van de Mussel A vroeger door die van Onstwedde was aangewezen, dan op de scheiding tussen Onstwedde en Vlachtwedde, ten noorden van de tegenwoordige R. K. Kerk, en verder van hier op de oostkant van de Schaaps- of Zandberg. Van daar gaat de grens zuidwestwaarts recht naar een punt aan de Munnikendijk gelegen op 1/3 van de afstand tussen de Mussel Aen de Ruiten A, om dan verder dien dijk oostwaarts te volgen, enz., zoals op Blad 8 te zien is. Die grenslijn van de Barkelazwet tot de Munnikendijk heet daarom nog de Koninklijke Raai of Koningsraai. Bij de Wet van 5 December 1817, Staatlsblad No. 32 werd de nieuwe grens afgekondigd.

De nieuwe grens is getekend op een bijzondere „Kaart van de delimitatie tot de Veenen van de Provincie Groningen en Drenthe, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 5 Mei 1817, ingezonden door de Hoofdingenieur Karsten” (Coll. Bod. Nijenhuis, Port. 47, No. 74). Meer bijzonderheden omtrent dit onderwerp zijn te vinden in een opstel van de heer IJ. Zijlstra in de noord Drentse Volksalmanak van blz. 40, waaraan ook voor een deel bovenstaande mededelingen ontleend zijn. Het daarbij gevoegd kaartje is op vrij kleine schaal en hier en daar minder nauwkeurig.

Op de Kaart waren de oude grenzen van de zoo sterk mistekende oude kaarten van Groningen en Drenthe niet wel over te brengen. Ik heb daarom ten oosten van het Zuidlaardermeer de grens getekend, voorkomend op de Kaart van Beckeringh van 1774, d. i. de Semslinie tot de Mussel A en dan langs dit riviertje opwaarts tot de Munnikendijk, langs deze oostwaarts tot de Ruiten A, enz.

Voor de grens tussen het Goorecht en Drenthe ten westen van het Hoornsche Diep heb ik de tegenwoordige genomen en met een dunne zwarte stippellijn aangegeven die welke bij Beckeringh voorkomt, voor zover dit mogelijk was, want ook op deze kaart zijn de vormen slecht. Op genoemd kaartje bij het stuk van de heer Zijlstra is nog een andere grenslijn getekend ten westen van de daar ook minder nauwkeurig getekende provinciale grens, maar ik heb die weggelaten, omdat zij niet nader omschreven is en omdat dan de Drentsche havezaten Oosterbroek, Lemferdink en Vennebroek op Groningsch gebied zouden komen te liggen, wat zeker onjuist zou geweest zijn.

Alvorens het volgende mee te delen omtrent de grenzen van de rechtsgebieden in de Provincie van Stad en Lande, vestig ik er hier nogmaals uitdrukkelijk de aandacht op (zie Inleiding, blz. 9), dat het mij niet is mogen gelukken die van een aantal redgerechten en grietenijen in de drie Ommelanden met zekerheid te bepalen; waarschijnlijk zal dit van verscheidene zelfs nooit gelukken. De oude kaarten van dit gewest, waarvan de gedrukte bovendien sterk mistekend zijn, geven weinig of niets van die grenzen; slechts met enkele getekende, aanwezig op net Rijks-archief te Groningen is dit het geval. Ook de grenzen van de kerspels kunnen ons in dit opzicht niet helpen, tenzij men weet dat zij geheel of ten dele met die van de redgerechten, enz. overeenkwamen, wat op vele plaatsen niet het geval was. Wel kan de ligging van plaatsen, heerden, enz. binnen een of ander gerecht uit oude geschriften blijken en dan min of meer licht verschaffen omtrent de loop van de grenzen, maar deze zelve kan men er niet mede in kaart brengen. Om toch een denkbeeld van de indeling te geven heb ik voor dit gewest ook een aantal „vermoedelijke” grenslijnen getekend: uit de hieronder gegeven beschrijving zal men kunnen nagaan in hoeverre daarop te vertrouwen valt. Waar de grenzen niet als zeker of vaststaande zijn vermeld, zij men daarmede voorzichtig in het gebruik.

Bij het onderzoek naar het gebied van de gerechten is gebruik gemaakt van een paar geschreven registers. Het eene is het „Clauwe-Boeck van Redgerechten, Overrechten, Lanckrechten, Zijlrechten, etc. uit verscheyden Prothocollen andere boecken en schriften gecolligeert, volgens bij volgende Register van mij Johan Tjassens, Secretaris.” Dit clauwboek, dat waarschijnlijk in 1657 voltooid is, is van en aanwezig op het Rijks-archief te Groningen. Het andere handschrift uit de jaren 1749—1751 bestaat uit 3 delen, geheten Registraturi van de gerechtigheden in het Hunsingoo Kwartier, Idem in het Fivelgoo Kwartier en Idem in het Westerkwartier, van en aanwezig op het Provinciehuis te Groningen.

Groningen. De grenzen van het rechtsgebied van de stad, de zogenaamde Stadstafel, zijn die van de gemeente vóór 1910, behalve over een kleine lengte aan de zuidzijde tussen het Schuitendiep en het Hoornsche Diep, waar de grens iets naar buiten gebracht is (om de voormalige linie van Helpman heen). De juiste grens is mij welwillend verstrekt door de Rijksarchivaris in de Provincie Groningen , Mr. Feith. Volgens de Kaart van Beckeringh liep de westelijke grens ten dele meer naar binnen, zoals op de kaart door een dunne stippellijn is aangegeven.

Het Goorecht (Gericht van Selwerd) lag ten noorden, oost en zuid om het stadsgebied heen tot aan de grenzen van Aduard (Wierum), Adorp en Harssens, Garmerwolde, enz., Harkstede, Scharmer en Kolham, nu nog de gemeentegrenzen. Ook behoorde Kropswolde onder het Goorecht. Toen na de ontginning van de venen van Sappemeer, enz. deze van het Goorecht zijn gescheiden en tot een afzonderlijk rechtsgebied gevormd, liep de grens tussen beide, dus de oostelijke grens van Kropswolde langs het Kielsterdiep, want de pachters van de venen aldaar, de Friesche Compagnie (Kiel, Windeweer en Lula) „waren verplicht om het diep” (nu Kielsterdiep) „te graven in of bijlangs de Wolder ooster-scheidgruppe, een gruppeling, die het Kropswolder veen van het Stadsveen scheidde” {Blaupot ten Cale. Voorlezingen o. d. opk. van de veenkoloniën. Hoogezand en Sappemeer, blz. 34. 1854).

Rechtstoel van Sappemeer. Voor de westelijke grens zie bij het Goorecht. De noord grens werd gevormd door het Abrahamsdiepje en de Siepsloot (Beckeringh) evenals nu, terwijl voor de oost grens die van de tegenwoordige gemeente genomen is behoudens een kleine wijziging in het noordoosten; deze toch komt overeen met die op de Kaart van Beckeringh op enige kleine verschillen na, die wel op rekening van mistekening gesteld zullen mogen worden.

Het Kleine of Klei-Oldambt bevatte de dorpen Termunten, Borgsweer, Woldendorp en Wagenborgen, dus de tegenwoordige gemeente Termunten. Ik heb de grenzen daarvan behouden behalve in het zuidoosten, waar de grens volgens de Kaart van Beckeringh door de noordhoek van de Oostwolder Polder liep. Op die kaart heeft de zuid grens wel een anderen vorm, maar die is daar zeker zeer mistekend: o.a. ligt daarop de Zomerdijk ten zuiden van het Termunterzijldiep. De door mij getekende grenzen komen overeen met die op eene kaart van 1743 van H. Teysinga. Kaart in 2 bladen van ds Limiten tussen de jurisdictiën van de stad Groningen nopens ’t Cleyn Old Ambt ter Eenre en tussen de Jurisdicties van Farmsum en Siddeburen ter andre sijden. Alles volg. de Conventie. tussen haar Edelmogenden opgericht en gesloten in dato de 26 Juni 1741. (Op het Rijks-archief te Groningen, StadsArchief Doos III).

Het Wold Oldambt. De oostelijke grens hiervan liep langs de Westerwoldsche A (bij Nieuweschans langs de Oude Pekel-A of Heerensloot, een in 1597 afgesneden loop) en het riviertje de Pekel A, dat aangegeven is op de Kaarten van Beckeringh en van Smit v. d. Vegt en Acker Stralingh (Kaart van de Provincie Groningen, 1837) en gedeeltelijk ook nog op de Top. Kaart is weer te vinden tot een punt t. oosten van het Hoetmansmeer en van daar in een rechte lijn naar de Drentsche grens. Voor de andere grenzen zie bij de aangelegen rechtsgebieden.

Westerwolde. Het Richterambt van Bellingwolde omvatte Nieuweschans, Oudeschans, Bellingwolde, Blijham en Oude Pekela. Voor de grens tussen Bellingwolde en Blijham ter ene en Friescheloo en Wedde ter andere zijde is genomen de grens tussen de Bellingwolder- en Vierkarspelen-Zijlvesten, waaronder Blijham en Bellingwolde geheel behoorden en het Tienkarspelen-Zijlvest. Die grens komt voor op de Kaart van Smit van de Vegt en Acker Stratingh; zij liep ten oosten van de Westerwoldsche A langs het Nieuwe Kanaal—Veenkanaal en ten westen daarvan langs de Adijk, de Bouwdijk en de Veendijk tot de Barkela-Zwet. Deze „zwet” is een wijde grup of sloot, die de venen van de Oude Pekela van die van de andere landen van Westerwolde scheidde; zij is nog aanwezig, vormt de oost grens van Oude en Nieuwe Pekela en kon dus als een gedeelte van de grensscheiding van de beide Lage rechtsgebieden van Westerwolde nauwkeurig in Kaart gebracht worden (ook op de Top. Kaart aangeduid).

Hunsingoo. Adorp en Harssens. De getekende grenzen zijn ten dele de tegenwoordige gemeentegrenzen en overigens, aan de west en noord zijde, die van de kadastrale secties Harsens en Adorp.

Sauwerd. Aan de west en oost zijde de grenzen van de tegenwoordige gemeente Adorp, aan de zuid en noord zijde die van de kadastrale sectie Sauwerd.

Wetsinge. Aan de west, noord en oost zijde de grenzen van de tegenwoordige gemeente Adorp, aan de zuid zijde die van de kadastrale sectie Wetsinge.

Winsum en Bellingeweer. De grenzen zijn genomen aan de noord zijde langs het Winsumer Zijldiep, aan de zuidwest zijde langs het Reitdiep en het Oude in de 17e eeuw afgesneden deel van het Reitdiep, aan de zuid en oost zijde langs de grenzen van de tegenwoordige gemeente Winsum, die aan laatstgenoemde zijde langs de Oude Aa, die de grens vormde tussen Ubbega en Innersdijk. Het redgerecht zou dan omvat hebben de tegenwoordige kadastrale secties Winsum en Winsumermeeden, welke laatste juist gevormd wordt door de Winsumer en door de Bellingweerster Meeden, en sectie Schilligeham ten dele. Valkum, dat onder dit gerecht behoorde (Clauwboek Tjassens), ligt dan nog juist er binnen in het zuiden van sectie Winsum. Dat dit deel van Schillingeham er toe behoorde, wordt alleen door mij vermoed, omdat het nog tot de tegenwoordige gemeente behoort en bezwaarlijk tot een ander aangrenzend gerecht is te brengen.

Onderwierum en Bedum. Het noordelijke deel van de tegenwoordige gemeente Bedum, bestaande uit de kadastrale sectie’s Onderwierum en Bedum benevens uit de sectie Roode School van de gemeente Middelstum, grootendeels ten westen en ten noorden van het Kardingermaar, want de Roode School lag onder Bedum (Tegenwoordige Staat XXI). Ook Acker Stratingh houdt dit maar voor de oostelijke grens tegen Westerwijtwerd, althans van het kerspel (Bijdrage Geschiedenis en Oudh. Groningen VIII, 223).

Maarslacht, Half Mensingeweer, Obergum en Saaksumhuizen. De grenzen zijn moeilijk te bepalen. Neemt men voor Maarslacht en Half Mensingeweer de kad. sectie van de tegenwoordige gemeente Leens ten zuiden van het Trekdiep, dan blijft een gedeelte ten noorden daarvan over, dat dan het „Half Mensingeweer” zou zijn dat met Bafloo, enz. een redgerecht uitmaakte. Vermoedelijk is dit juist, omdat de grens van de Marne langs het Trekdiep liep (Kaart van Beckeringh). Geheel afgescheiden van dit gedeelte lagen Saaksumhuizen en Obergum. Het eerste zal de kadastrale sectie van die naam van de tegenwoordige gemeente Bafloo geweest zijn, maar in het zuiden iets uitgebreid, daar de noordelijke hoeve van Lutje-Saaksum er toe behoorde (Clauwboek Tjassens). Obergum zal omvat hebben het zuidoost onderdeel van de kadastrale sectie Obergum van de gemeente Winsum (Obergummer Meeden), want het noordelijk deel, Ranum, behoorde onder het redgerecht Bafloo, enz.; het westelijk deel vormde Maarhuizen, dus behoorde ook onder Bafloo, enz.

Warfhuizen. Dit redgerecht bestond uit twee delen blijkens een oude kaart van de Jurisdictie van Leens, van Zuurdijk, enz., aanwezig op het Provinciehuis te Groningen No. 15, onderste lade. Deze waren een klein smal westelijk deel, tussen de gerechten van Leens ten west en Zuurdijk en Wehe ten oosten en een groter oostelijk deel, welks westelijke grens genomen is naar genoemde kaart, terwijl voor de oostelijke is getekend die van de kadastrale secties de Hoorn en Warfhuizen van de tegenwoordige gemeente Warfhuizen.

Zuurdijk en Wehe. Dit redgerecht is overgenomen van de hierboven onder Warfhuizen genoemde kaart No. 15, onderste lade, op het Provinciehuis te Groningen aanwezig, waarop het voorkomt als „Jurisdictie van Suirdijk, Wehe en Nienklooster”.

De Kampen. Dit kleine redgerecht is door het verlopen van een gedeelte van de Hunze (het Reitdiep) op de linkeroever van het tegenwoordige Reitdiep komen te liggen. Het werd dus aan de oost en zuid zijde begrensd door het Oude Diep, welks loop in de Oldehoofster Polder nog op de Top. Kaart is na te gaan (zie ook de Kaart van Beckeringh). Of ook het kleinere westelijke deel van de Oldehoofster Polder, vroeger Aalsummer Polder, met buitengronden er ook toe behoorde, heb ik niet kunnen nagaan.

Het Groote Reedschap. Voor de grenzen zijn genomen die van de tegenwoordige gemeente Ulrum, die volgens de Kaart van Beckeringh geheel met die van het Groote Reedschap overeenkomen.

Hornhuizen. Voor de grenzen zijn genomen die van de kadastrale sectie Hornhuizen van de gemeente van dien naam. De oostelijke grens is die van de Marne (zie de Kaart van Beckeringh).

Kloosterburen. De grenzen op de kaart zijn die van de kadastrale sectie van dien naam van de tegenwoordige gemeente Hornhuizen. Leens. De grenzen zijn overgenomen van de bovengenoemde kaart (zie Warfhuizen) No. 15, onderste lade, op het Provinciehuis te Groningen). De westelijke komen geheel met die van een deel van de tegenwoordige gemeente overeen.

Menkeweer en Huizinge. Blijkens de clauwboeken vroeger verenigd met Westerwijtwerd en Startinghuizen. Het redgerecht bestond uit de beide van elkaar gescheiden liggende deelen: Huizinge, waarvoor genomen is de kadastrale sectie van die naam van de gemeente Middelstum, de heerd Fraam (Clauwb. Tjassens) ligt er dan nog juist in, en Menkeweer, het deel van de tegenwoordige gemeente Bedum ten noorden van het Zijldiep; de oostelijke grens van dit onderdeel is blijkens de Kadastrale Kaart een andere geweest dan die van de tegenwoordige gemeente aldaar. De kerk stond op de tegenwoordige begraafplaats aan het Warfumer Maar, doch is in 1843 afgebroken (van der Aa. Woordenboek en Kaart van Beckeringh).

Haarhuizen, Ranum, Bafloo en half Mensingeweer. In verband met het reeds genoemde redgerecht Maarslacht, half Mensingeweer, Obergum en Saaksumhuizen, vallen de grenzen moeilijk te bepalen. Vermoedelijk heeft het redgerecht bestaan uit de kadastrale sectie Haarhuizen en een onderdeel Haarhuizen van de sectie Obergum, voorts uit het onderdeel Ranum van de sectie Obergum met de ten oosten daarvan liggende Ranumer meden (onderdeel van de kadastrale sectie de Meeden van de gemeente Winsum) en eindelijk uit de kadastrale sectie Baflo en Mensingeweer ten noorden van het Trekdiep. Haarhuizen lag dus half in de Marne half in het Halve Ambt. Volgens Beckeringh liep de grens van de mond van het Trekdiep zuidwaarts door tot het Oude Reitdiep (op de kaart met dunne zwarte stippellijn). Dan zou dus waarschijnlijk een deel van Schilligeham er toe behoord hebben en niet tot Winsum; in dit deel lag een hoeve Haarhuizen. Binnen de getekende grenzen liggen dus niet alleen de plaatsen Baflo, Mensingeweer, Ranum en Haarhuizen, maar ook Dingen en Meijum onder Baflo en Lutkehuizen onder Haarhuizen. Ranum is zonder kerk getekend, omdat die sedert lang (begin 17e eeuw) niet meer in gebruik was (afgebroken in 1820) en ook niet die van Haarhuizen om dezelfde reden.

Tinallinge, Raskwerd en den Andel. Voor dit redgerecht zijn genomen de kadastrale secties Tinallinge, Raskwerd en den Andel van de tegenwoordige gemeente Bafloo.

Eenrum, Pieterburen en Westernieuwland. De grenzen op de kaart zijn die van de tegenwoordige gemeente Eenrum behalve Wierhuizen (zie hieronder). De heerden de Luit. (Reg. Provincie U.) en Oldenhuis (Reg. Provincie H. en Clauwboek (Tjassens) liggen dan nog juist binnen de westelijke grenzen.

Wierhuizen. De grenzen zijn die van de kadastrale sectie Wierhuizen van de gemeente Eenrum, tussen de Oude en Pettinger Tocht ten westen en het Broekhuister Maar ten oosten Daartussen lag ook de kerk; het kerkhof, daarbij behorend, is nog over (Chromo-Top. Kaart 1 : 25000, 81. Uithuizen). Wierhuizen kan dus niet ten oosten door de Oude Tocht begrensd zijn geweest (Acker Stratingh. Bijdrage Groningen VIII, blz. 221). Een Wierhuizen meer westelijk aan de zeedijk, zoals op de Kaart van Smit v. d. Vegt en Acker Stratingh zal dus wel een fout zijn.

De Breede en Warfum. Het gebied van dezen rechtsteel, geheel ingesloten tussen de natuurlijke wateren de Oude Weer ten westen, de Delte ten oosten en het Raskwerder met het Warfummermaar ten zuiden, komt juist overeen met dat van de tegenwoordige gemeente voor zoover het toen reeds buitendijks was aangewassen, blijkens een getekende Kaart van Warfum en de Breede van 1698 door Enos(?), aanwezig op het Rijks-archief te Groningen.

Uskwerd. Het kerspel kwam overeen met de tegenwoordige gemeente, voor zover nl. deze toen reeds buitendijks was aangewassen, behalve aan de zuidzijde, waar de gehuchten Helwerd, Holwinde (nu onder Kantens) en Oldorp (nu onder Uithuizen) er toe behoorden. Deze zijn er nl. eerst in 1808 burgerlijk van gescheiden (van der Aa. Woordenboek op Uskwerd). Blijkens een stuk in het Archief van de Sint Walburgskerk te Groningen (No. 11) van het jaar 1511 lag toen Oldorp in het kerspel Uskwerd en in een van de verpondingsregisters van 1630 staat achter een aantal personen onder Uskwerd bijgevoegd „te Oldorp”. De zuidelijke grens zowel van het redgerecht als van het kerspel zal dus het Helwerder Maar geweest zijn, want dit vormde blijkens de Kaart van Beckeringh ook de grens tussen het Halve Ambt en het Ooster-Ambt. De oostelijke grens van Oldorp tegen Uithuizen heb ik echter niet kunnen bepalen. Zie ook bij Ooster-Nieuwland, Oudezijl, enz. Binnen deze grenzen liggen de heerden Luidema Heerd, Laan en Watwerd (Clauwb. Tjassens).

Uithuizen. De tegenwoordige gemeente tot zover deze zich toen buitendijks uitstrekte, behalve Oldorp, dat onder Uskwerd behoorde. Zie aldaar. Daarin het Huis Menkema (Reg. Pr. H.).

Uithuizermeeden. Hiervoor zijn genomen de kadastrale secties Uithuizermeeden en Rensuma van de tegenwoordige gemeente. Daarbinnen lag Ungersma (Tjadingshuis) (Clauwb. Tjassens en Reg. Provincie H.). Zie ook bij Oosternieland, enz.

Oosternieland, Oudezijl, Zandeweer en Rottum. Voor dit redgerecht is genomen de lange strook, bestaande uit de kadastrale secties Rottum, Oost-Rottum en Zandeweer van de tegenwoordige gemeente Kantens, behalve Helwerd en Holwinde aan de overzijde van het Helwerder Maar (zie bij Uskwerd), de kadastrale secties Oldenzijl en Ooster-Nieland benevens Roodeschool en de Greede van de tegenwoordige gemeente Uithuizermeeden. Deze beide laatste heb ik tot dit gerecht gerekend, omdat Oosternieland volgens de Tegenwoordige Staat (XXI, blz. 328) bestond uit „meest aanwassen uit de zee” en het zonder de Roodeschool en het daarvoor gelegen de Greede in het geheel geen aanwassen zou gehad hebben. Daarbinnen lagen de heerden Nijenstein of Scheltkema (Tegenwoordige Staat en Clauwboek Tjassens), Onnema Huis (Clauwboek Tjassens).

Kantens, Stitswerd en Eppingehuizen. Hiervoor is genomen de tegenwoordige gemeente Kantens behalve de kadastrale secties Rottum, Ottum-Oost en Zandeweer. Startinghuizen, dat volgens de Tegenwoordige Staat XXI, 296 in 1795 tot dit rechtsgebied behoorde, vormde er dan het meest oostelijk deel van. Eelswerd (Reg. Provincie H. – geen heerd) ligt dan nog juist binnen de noord grens.

Middelstum, Doorwerd (Toomwerd) en Westerwijtwerd. De tegenwoordige gemeente Middelstum, verminderd met de kadastrale sectie’s Roodeschool en Huizinge, behoudens de wijziging aan de westgrens langs Menkeweer (zie bij Menkeweer en Huizinge). Het Kardinger Maar vormde de grens tussen Middelstum en Bedum (zie Onderwierum en Bedum) Binnen deze grenzen lagen de gehuchten Engeweer (Reg. Provincie H.) en de Palen (Idem) benevens de heerd de (N)oord of de Oert (Idem) dicht bij de noord grens.

Westerdijkshorn. Hiervoor is genomen de kadastrale sectie van dien naam van de gemeente Bedum. Het gedeelte buiten de Wolddijk omvat dan de Westerdijkshornster Polder, waarin het gehucht Westerdijkshorn.

Volgens het Clauwboek van Tjassens en het Reg. Provincie Huis vormden toen ter tijde Sauwerd, Wetsinge en Westerdijkshorn één gerecht.

Ter Laan en het Reideland. Zie bij Ellerhuizen. Binnen Ter Laan lagen de heerden Schultinga Huis (Clauwboek Tjassens en Reg. Provincie H ) en Witsen of Wetsinga Huis (Idem), nog beide op de Top. Kaart voorkomend. Bij Tjassens heet dit gerecht alleen Ter Laan. Ellerhuizen. Blijkbaar is de kadastrale sectie van de gemeente Bedum van dien naam samengesteld uit de oude redgerechten Ellerhuizen en Ter Laan met het Heideland. De grens tussen die beide heb ik niet kunnen vinden; het laatste was de noordoost hoek, die zich minstens tot het gehucht Heideland (zie de kaart) moet hebben uitgestrekt.

Noordwolde. Voor de noordelijke grens is genomen de zuid grens van de kadastrale sectie Westerdijkshorn. Dat het redgerecht zich zover noordwaarts uitstrekte, blijkt ook daaruit dat Oud-Folkerda weleer onder Noordwolde lag (van der Aa op Oud Folkerda). Ook Mensema (Clauwb. Tjassens) ligt binnen deze grenzen.

Zuidwolde. Voor de noord grens zijn genomen de noordelijke grenzen van de kadastrale secties Zuidwolde en Beijum. Overigens de gemeentegrenzen van Bedum, waarin het nu ligt.

 

Fivelgoo.

Garmerwolde, Tezinge, Ten Boer, Sint Anne en het Heidenschap. De tegenwoordige gemeente Ten Boer behalve de kadastrale secties Woltersum, Wittewierum, ten Post en Lellens. Hierbinnen lagen Lutkewolde, (H)enmerwolde in de Noorder-clauwe (Clauwb. Tjassens), Takkenborger Heerd (Clauwboek Tjassens) ten oosten van Tezinge en Gelmersma Heerd (Idem en Reg. Provincie H.) aan de zuid zijde van het Damsterdiep, de beide laatste nog op de Kaart van Beckeringh) voorts de Terborger Heerd (Reg. Provincie H.), waarmede Ridderburg bij Garmerswolde zal bedoeld zijn.

Lellens. Voor de zuidoost grens tegen ten Post nam ik de noordwest grens van de kad. sectie ten Post, welke overeenkomt met die van de Schepperij aan die zijde (Kaart van Smit v. d. Vegt en Acher Stratingh), voor de zuidwest het Stedummer Maar en noordwest en noorden de grens van de tegenwoordige gemeente Stedum. Volgens een Kaart van de Schepperij van Lellens, aanwezig in het Rijks-archief te Groningen, strekte die zich meer westwaarts uit, zoodat Lutjewijtwerd er binnen viel, maar ik weet niet of dit ook met het redgerecht het geval was.

Stedum, Westeremden en Garshuizen. Het ligt voor de hand hiervoor de grenzen van de tegenwoordige gemeente Stedum te nemen, waarbinnen die drie dorpen liggen. Toch is dit niet geheel juist, want de Goldhoorn ten noordoosten van Westeremden, nu onder Loppersum, lag in de Dijkstercluft van dit redgerecht (Clauwboek Tjassens). Daarom heb ik het noordelijk gedeelte van de gemeente Loppersum t. noorden van de Spijksterweg er bij getrokken, maar weet niet of de grenzen van dit deel juist zijn. Er binnen lagen en zijn nog op de Top. Kaart te vinden (volgens Clauwboek Tjassens) Buttema Heerd in de Atenacluft van Westeremden, Jensumaheerd in de Dorpstercluft van Stedum; de andere cluften hiervan waren Lutjewijtwerdercluft, Krangeweerstercluft en Weerstercluft en Heemert, dat volgens bovenstaande grensbepaling onder Bellens lag. Maar ten tijde van Tjassens' clauwboek behoorde dit laatste onder het gerecht van Stedum, enz.

Loppersum en Wirdum. Daarvoor is hier genomen de tegenwoordige gemeente Loppersum behalve de kad. sectie Garrelsweer, daar deze onder het hierna te noemen Eesterrecht behoorde, en behalve een gedeelte om de Goldhoorn (zie bij Stedum, enz.). De Wirdumermeeden ten zuiden van het Damsterdiep behoorden dan ook tot dit gerecht.

Hierbinnen lagen volgens Tjassens Clauwboek: Enzelens, Meerum, den Ham, Eekwerd, Kremersheerd in de Odingehuistercluft, Boelmaheerd en de Juist in de Hamstercluft, Ter Borg in Wirdumer Westerduft, Okkemaheerd in Meerumercluft en Poppe Onnekenheerd (nu Popkenheerd), de beide laatste in het Reg. Provincie H. en alle nog op de Top. Kaart i : 50000, ter Borg op die van 1: 25000 te vinden.

Een gedeelte van ’t Zand, Leermens, de Rijp en Eenum. Deze rechtstoel was blijkens de daarin begrepen heerden, enz. gelegen binnen de grenzen van de tegenwoordige gemeente ’t Zand behalve de kadastrale sectie Oosterwijtwerd, daar deze tot een ander redgerecht behoorde. Aan de oost zijde heeft de grens zich echter iets verder naar buiten uitgestrekt, nl. tot het Godlinzer Maar (zie Kaart van Beckeringh), daar „het Maerhuis”, nu onder Bierum, in de cluft van Leermens „Buiten de Buren” lag (Clauwboek Tjassens, blz. 279).

Men vindt het Zand soms onderscheiden in „Buiten” en „Binnen de Korl”. Een tocht t. noorden van het dorp ’t Zand, van de Westerweg tot de Korendijksterweg, in het verlengde van de Kleine Riet, heet nog de Korrelstocht; dit is dus blijkbaar de oude Korl die beide genoemde delen scheidde.

Ook lag binnen die grenzen een gedeelte dat niet tot dit redgerecht behoorde, maar tot het hierna te vermelden Eesterrecht (ten Post, Wittewierum en Garrelsweer), dus geheel daarvan gescheiden. Het omvatte twee overrechten, nl. Eestrum of Oostrum en Buiten-Spijkumerweg.

De Spijkumerweg of Spijksterweg komt in de dauwboeken van deze beide redgerechten herhaaldelijk voor. De beide cluften waaruit Rijp (Zeerijp) bestond heetten „Rijp boven de weg” en „Rijp buiten de weg”, waarmee wel dezelfde weg bedoeld zal zijn. Deze weg kan geen andere zijn dan die welke over Zeerijp noordoostwaarts naar Godlinze loopt en die eenmaal de buitendijk was, want Boukemaheerd, dat aan de zuid zijde er aan ligt, lag „in Eester Clauw binnen Spijkumerweg” en Eppingeheerd, dat vroeger ten zuiden lag van de weg van de Groeve over Ter Horn en Alberdaheerd onder de Zeerijper Clauw (Clauwboek Huis Farmsum, Rijks-archief te Groningen), lag buiten de weg (Tegenwoordige Staat XXI, blz. 280).

Eestrum of Oostrum lag aan de noord zijde van Enumerhoogte een stuk land aldaar wordt nog zoo genoemd 1). „Eestrum bij Enum” werd volgens genoemd clauwboek van Farmsum in de 18e eeuw door Rengers van Farmsum aangekocht. Het schijnt deze plaats te zijn, oorspronkelijk een heerd of huis waarschijnlijk, die haar naam aan het „Eesterrecht” 1) Door vriéndelijke mededeeling van de heer Cohnan, Burgemeester van ’t Zand. gegeven heeft. Daar Biewinga en Boukemaheerd er in, Eppingeheerd (Ippingaheerd) en Wijnjetil er buiten, nl. in Rijp lagen, zoo moet de weg die langs Biewinga en Eppingeheerd naar Enum gaat, de Middenlaan, de westelijke grens geweest zijn. Vermoedelijk was de oostelijke grens de Westerweg, van Oosternieland over Ter Hom naar Enumerhoogte, daar deze nog de grens van de kadastrale sectie t Zand vormt, die weg loopt grotendeels dicht langs een voormaligen buitendijk, waarbuiten ’t Zand is aangedijkt, blijkens de wielen die er nog liggen (zie Broekema. Bijdrage Groningen en omgeving str. 11, blz. 140). Het gebied van dit deel van het Eesterrecht binnen en buiten de Spijkumerweg vormde dan een lange smalle strook van Eestrum, alwaar ik de zuidelijke grens niet nauwkeurig heb kunnen bepalen, tot tegen het Oude Maar ten oosten van Dijkum. De noordoost uitloper van dit gerecht aan de zeezijde werd begrensd door de Kleine Tjariet.

Het bovenstaande omtrent de ligging van de heerden is aan het clauwboek van Tjassens en het Register van het Provinciehuis ontleend. Daar vindt men ook nog dat Alberdaheerd lag „in Zandster Klieuw beneden de Korll”, en ook dat Oestrum en Oesterhiem, beide binnen de Spijkumerweg, niet dezelfde waren (Reg. Provincie H., Aanh., blz. 10). Jacobsmaheerd te Leermens komt nog voor op de Top. Kaart 1 : 25000.

De Vierburen (Godlinze, Losdorp, Spijk en Bierum). Ongeveer de tegenwoordige gemeente Bierum behalve de secties Holwierda en Krewerd. Ook de Groote en Kleine Nes behoorden er niet toe (zie bij Oosterwijtwerd, enz.), maar de juiste grens aldaar heb ik niet kunnen opsporen en dus weggelaten. Wel tekent Beckeringh ook „op de Nes” buiten de zuid grens van de Vierburen, maar die grens is niet over te nemen door de sterke mistekening van de kaart, waardoor o.a. de dorpen Bierum, Spijk en Losdorp geheel verkeerd liggen ten opzichte van elkaar. Ompteda Heerd (Clauwboek Tjassens, blz. 351) of Onna Heerd (Reg. Provincie H., 67) lag in Spijkstercluft. De noordwest grens tegen ’t Zand was niet de tegenwoordige maar de Kleine Tjariet (Kaart van Beckeringh).

Oosterwijtwerd, Jukwerd en Krewerd. Hiervoor zijn genomen de kadastrale secties Oosterwijtwerd van de gemeente ’t Zand, Jukwerd van de gemeente Appingedam en Krewerd van de gemeente Bierum; voorts behoorden er toe de cluften Katmis (onder het kerspel Holwierda zie Tegenwoordige Staat XXI, 63) en Nes (Clauwboek Tjassens), ik vermoed dus het deel van de tegenwoordige sectie Holwierda en nog een stuk ten noorden daarvan ten westen van de Groote Heekt. Volgens het Reg. Op het Provinciehuis, blz. 87 behoorde Lutke Nes, ook ten westen van de Groote Heekt, onder Holwierda. Cluften waren Wijtwerd, Ramswerd en Jukwerd benevens Krewerd, Siboldeweer, Nes en Katmis die dan ook binnen genoemde grenzen vallen. In Wijtwerd lag de Wijtwerder Heerd (Ripperda).

Tjamsweer, Appingedam en Opwierda. De secties Tjamsweer, Appmgedara, Garreweer en Opwierda van de tegenwoordige gemeente Appingedam.

Solwerd en Uitwierde. Hiervoor zijn genomen de secties Uitwierda en Biessum van de tegenwoordige gemeente Delfzijl, daar Biessum tot Uitwierda behoorde (Tegenwoordige Staat XXI, blz. 364), en van de gemeente Appingedam het onderdeel van de sectie Marsum waarin Solwerd ligt.

Marsum en Holwierda. Hiervoor zijn genomen van de gemeente Appingedam de sectie Marsum (behalve het onderdeel Solwerd) en ten westen daarvan tot de Groote Heekt de Langerijp, daar de plaats de Lange Rijp nu nog onder Holwierda ligt, benevens de sectie Holwierda van de gemeente Bierum, voor zover die ten oosten van de Groote Heekt ligt (zie bij Oosterwijtwerd, enz.).

Delfzijl. De tegenwoordige kadastrale sectie van de gemeente Delfzijl, die alleen de stad omvat met de haven en enig water ten oosten daarvan.

Farmsum, Weiwerd, Heveskes, Oterdum en Meedhuizen. Het gedeelte van de tegenwoordige gemeente Delfzijl dat gelegen is ten zuiden van het Damsterdiep. Dat de zuid grens hiervan ook die van het voormalig gebied is, blijkt bij Acker Stratingh. Bijdrage Groningen VIII, blz. 227.

Siddeburen en Oostwolde. Het noordoost deel van de tegenwoordige gemeente Slochteren ten oosten van Helium (zie Helium en Schildwolde). Dus ten zuiden tot de Siepsloot Lutje Maar, ten oosten tot het Klei-Oldambt en ten noorden tot Meedhuizen en Opwierda-Appingedam.

Hellum en Schildwolde. Voor de westelijke grens zie bij Slochteren. Slechts half Schildwolde (kerspel) behoorde er dus toe, zonder de kerk, van daar waarschijnlijk was Hellum de hoofdplaats (van der Aa op Helium). De oost grens tegen Siddeburen zal wel de Schipsloot geweest zijn, zegt Acker Stratingh en dan verder langs de oost zijde van het Schildmeer tot Laskwerd (Bijdrage Groningen VIII, blz. 227). Dit komt overeen met het feit dat de buurt Akkereinde tot Helium behoort (van der Aa op Hellum). Onmiddellijk ten oosten van die grens sluiten nu nog de noordelijke en zuidelijke Siddebuurster polders aaneen. Maar dit alles heeft betrekking op het kerspel en daar de oostelijke grens van de kadastrale secties Schildland, Helium en Boven-Vennen een eind ten westen van de Schipsloot loopt, zoo is die als grens van het rechtsgebied geteekend. De noord grens was de Grauwedijk (Ald. , blz. 226), de zuidelijke de Siepsloot.

Slochteren en Kolham. De zuid grens was die van de tegenwoordige gemeente, nl. het Abrahamsdiepje en de Siepsloot (Acker Stratingh. Bijdrage Groningen VIII, 227). De noordoost grens van het kerspel Slochteren tegen Schildwolde was de Molensloot (Ald., 227), maar tot het rechtsgebied behoorde volgens van der Aa ook half Schildwolde (Woordenboek. op Schildwolde en op Hellum) en ik vermoed dus, dat die liep langs de Schildwolder gemeenteweg van bij de kerk bij de Woldweg naar de Siepsloot, zijnde dit de grens van de tegenwoordige kadastrale sectie Zandjer Polder, de kerk viel dan nog juist binnen de grens van dezen rechtsteel. De noord grens liep grotendeels langs de Grauwen Dijk.

Scharmer. Hiervoor is genomen de kadastrale sectie West- en Oost-Scharmer van de gemeente Slochteren. De oost grens langs de Scharmer Ee komt dan met die van het voormalige kerspel overeen (Acker Stratingh. Bijdrage Groningen VIII, blz. 227). Harkstede. De kadastrale sectie Groot en Klein Harkstede van de tegenwoordige gemeente Slochteren. De noord grens tegen Garmerwolde, het Heidenschap en Woltersum langs de Kleisloot en de Smerige Ee en de zuid grens tegen het Goorecht langs de Borgsloot komen dan met die van het karspel overeen (Acker Stratingh. Bijdrage Groningen VIII,blz. 225).

Woltersum. Hiervoor is genomen de kadastrale sectie van die naam van de tegenwoordige gemeente Ten Boer.

Het Eesterrecht. Dit gerecht bestond uit twee geheel van elkaar gescheiden delen. Het grootste stuk omvatte ten Post, Wittewierum en Garrelsweer. Voor de beide eerste zijn de kadastrale secties van dien naam van de gemeente Ten Boer genomen, voor de laatste de kadastrale sectie van die naam van de gemeente Loppersum. Het kleinere deel bestond uit Eestrum (vandaar de naam) en Buiten Spijkumerweg onder ’t Zand, zie hiervoor bij; Een gedeelte van ’t Zand, Leermens, enz.

 

Het Westerkwartier.

Vredewold. Voor de grens van deze zuidelijkste grietenij van het Westerkwartier tegen het ten noorden daarvan gelegen Langewold is genomen de noordelijke grens van de tegenwoordige gemeenten Marum en de Leek, lopend langs de overblijfselen van de Leidijk op de grens van die beide grietenijen. Die grens komt vrijwel overeen met die op de ook hier mistekende Kaart van Beckeringh en is daarvan alleen vrij veel afwijkend bij Lukaswolde, dat onder Marum en niet zoals bij Beckeringh onder Grootegast behoorde. In het noordoosten behoorde ook Legemeden, nu het zuidelijk deel van de gemeente Aduard, er toe en daarom is de noord grens aldaar getekend langs de Munnikedijk evenals bij Beckeringh.

Ooster-Langewold. Hiervoor zijn genomen de tegenwoordige gemeenten Zuidhorn, Noordhorn en Oldekerk en op gezag van de Kaart van Beckeringh de Juursemacluft van de gemeente Grijpskerk, ten oosten van het dorp, waarin het dorp Niezijl ligt, dat ook volgens de Tegenwoordige Staat tot deze grietenij behoorde. De oostelijke grens is echter genomen niet ten dele langs de Oude Rijt, maar geheel langs de Oude Spanjers Dijk, daar deze grens op de Kaart van Beckeringh geen twijfel overlaat; meer westelijk is de noordgrens op die kaart echter zeker onjuist daar zij zeker de Oude Riet gevolgd heeft, zodat de Uiterdijken van Niehove daaronder behoorden en voorts langs de zuid zijde van de Ruigewaard.

Wester-Langewold. Dit gerecht omvatte de tegenwoordige gemeenten Grootegast en Grijpskerk, de laatste behalve Niezijl, de Ruigewaard en de voormalige Grietenij Visvliet.

Visvliet. De grenzen zijn getekend op de Kaart van Beckeringh en ook op een kaartje „Das Westerquartier” (Coll. Bod. Nijenhuis, Portef. 46, No. 140), maar vooral langs de zuid zijde zijn die grenzen vaag en ik heb ze daarom vervangen door de tegenwoordige gemeentegrenzen (van Grijpskerk). Maar dan valt Hillemahuis er buiten, dat volgens van der Aa onder Visvliet lag; de grens bij de Lauwers zal dus nog iets zuidelijker gelopen hebben, maar ik had geen enkele aanwijzing om die te tekenen.

De Ruigewaard omvatte de drie rechtstoelen Westerwaard, Middelwaard en Oosterwaard. De west grens ten zuiden van Pieterzijl liep langs de Ouden Dijk, de vroegere buitendijk tegen de (toen nog open) Lauwers. De grenzen tussen deze drie rechtsgebieden heb ik niet kunnen vinden.

Niehove. Zie bij Humsterland.

Humsterland. Voor deze grietenij en die van Niehove samen is genomen de tegenwoordige gemeente Oldehove behoudens aan de oost zijde, waar voor de grens getekend is niet de tegenwoordige langs de Kleefsloot, maar die langs de Ouden Dijk, omdat die ook aldus op de Kaart van Beckeringh staat aangegeven. Of zij buiten de Hooge Dijk in de Saaksumerpolder tot het Reitdiep doorliep langs dien Hoogen Dijk of langs de Kleefsloot is bij Beckeringh niet aangeduid en ik heb ze daarom aldaar weggelaten. De zuidelijke grens is bij Beckeringh zoo mistekend, dat Frijtum ten onrechte er buiten, maar het veel zuidelijker gelegen Balmahuizen er binnen valt. Ik heb de tegenwoordige gemeentegrens langs de Oude Riet en het Kommerzijlsterdiep behouden, omdat de Uiterdijken van Niehove buiten de Ouden Dijk, die van Balmahuizen tot de vroegere zeedijk bij Kommerzijl loopt, zich zeker tot die scheidende geulen zullen uitgestrekt hebben en dan ook Pama onder Niehove en niet onder Oldehove komt te liggen, zoals Beckeringh verkeerd tekent.

De grens tussen de grietenijen Humsterland en Niehove is vrij nauwkeurig te bepalen uit de ligging van de plaatsen die onder het ene of het andere rechtsgebied behoorden. Zo behoorden tot Humsterland de Saaksumer-, Oldehoofster-, Kenwerder-, Selwerder- en Barnwerder cluften in de laatste Selwerd en Barnwerd, zie de Kaart (Clauwb. Tjassens) benevens de Englumercluft. Voorts lagen daarin Roetsema en daar dit in Mewerder cluft lag, zoo was deze ook een cluft van Oldehove (Reg. Provincie H.). Ook leest men in ditzelfde register van „Frijtema in Mewerderduft” en „in Mewerder Cluft op Jensuma” volgens het oudere clauwboek van Tjassens lag dit laatste in Niehove. Nog een cluft van Oldehove was de Aalsumercluft, waarin Holmsterheerd (Reg. Provincie H.), terwijl daar ook gesproken wordt van „de Grietenije van Oldehove Jelamer genaamd”, d.w.z. gerechtigd tot het aanspreken van het grietmansambt. Jolema is nog een kadastrale sectie ten noordwest van het dorp Oldehove.

Niehove was verdeeld in drie huurrechten: Pama, Balma en Uiterdijk (Reg. Provincie H.) zie de kaart. Voorts lagen er in Heerburen in Sikkemahuistercluft, de Gaikemaweerstercluft en de Jelamercluft (Reg. Provincie H.), benevens de Ikema-, Tjaddingeweerster- en Siccemahuistercluften (Clauwb. Tjassens).

Uit het bovenstaande is op te maken, dat de grens tussen Oldehove en Niehove liep van ongeveer de mond van het Kommerzijlsterdiep ten westen van Holmsterheerd ten oosten van Niehove en ten westen van Frijtum om tot aan de Oude Rijt. De grens liep dus ongeveer Noord-Zuid en niet West-Oost, zooals die op de Kaart van Beckeringh zeker geheel foutief is getekend.

Ezinge. Voor de oostelijke grens zie bij Feerwerd. De westelijke liep langs de Ouden Dijk zie bij Humsterland. Onder Ezinge lagen de heerden Allersma, de Bouwert, Frouwensheerd (Reg. Provincie H.) en Menteda (Clauwb. Tjassens), de beide laatste nog voorkomend op de Top. Kaart 1 : 25000.

Hardeweer. Hiervoor is genomen de kadastrale sectie van dien naam en die van Suttum tot de Ouden Dijk. Suttema was een tot 6 ommegangen gerechtigde heerd van dezen rechtstoel (Reg. Provincie H.). Voor de west grens zie bij Humsterland. (Op de Kaart van Beckeringh zijn Suttum en Hardeweer verwisseld).

Feerwerd. Aan de west zijde heb ik de grens tegen Ezinge niet durven te tekenen. De grens tussen de kadastrale secties Feerwerd en Ezinge nl. loopt ongeveer zuid noord langs de buitenkant van het dorp Ezinge. Maar dit kan niet de grens tussen de rechtsgebieden geweest zijn, want dan zou Allersma, dat een heerd onder Ezinge was (Reg. Provincie H.), daarbuiten gelegen hebben. Ook zou Ezinge, dat 18 toerbeurten had, dan zeer klein geweest zijn. De grens moet dus meer oostelijk gelopen hebben. De oostelijke grens van Feerwerd langs het Aduarderdiep en de zuidelijke zijn die van de kadastrale secties Feerwerd en Joeswerd. Zie ook bij Aduard.

Aduard. Tot Aduard behoorde ook Wierum, dat vroeger op de linkeroever van de Hunze gelegen, doch door het recht gegraven Reitdiep er voor het grootste gedeelte van gescheiden was; voor de grenzen er van werden genomen die van de kadastrale sectie van dien naam van de gemeente Adorp. Wierum had een kerk, die in 1829 afgebroken is (van der Aa, Woordenboek). Ook behoorden tot het Aduarder rechtsgebied Oostum, nu onder Ezinge, en Garnwerd, dus ook het gedeelte hiervan over het Reitdiep, de Hoek of Raken, nu onder Winsum, dat er ingevolge Resolutie van de Staten van 1629 door een afsnijding van het Reitdiep van gescheiden is. De west grenzen van Oostum en van Garnwerd zijn langs het Aduarder Diep genomen, als zijnde die van de kadastrale secties van dien naam. Of die grens noordwaarts tot de Aduarderzijl doorliep schijnt mij nog onzeker, omdat Feerwerd zich vroeger meer noordoostwaarts, zelfs aan de overzijde van het Reitdiep zou uitgestrekt hebben, zodat Schilligeham er toe behoorde (van der Aa op Schilligeham). Legemeeden echter, nu onder Aduard, maakte deel uit van Ooster-Langewold, zie Ooster-Langewold.

Dorkwerd en Leegkerk. Hiervoor zijn genomen de kadastrale secties Dorkwerd en Leegkerk van de tegenwoordige gemeente Hoogkerk. Hoogkerk. Het zuidelijk deel van de tegenwoordige gemeente

Hoogkerk, nl. de kadastrale secties Hoogkerk, Zeldenwind (Zuidwend ?) en Koningspoort. In deze laatste lagen de heerden Elmersma en Bangeweer, de laatste echter zonder clauwbeurt (Clauwboek Tjassens).

Platvoetshuis. Dit zeer kleine rechtsgebied was geheel ingesloten door de grietenij van Aduard, aan de linkeroever van het Reitdiep ter plaatse van de nog bestaande woning „de Platvoet” (Topografische Kaart) en wel onder Wierum, blijkens de op het Rijks-archief te Groningen aanwezige „Kaart van de Ommelanderplaats genaamd de Koldehoeve met daarbij behorende Heemstede van Platvoetshuis, gelegen onder de Klokslag van Wierum” van 1791 door J. C. Buwalda van Aardenburg. Platvoetshuis lag dus ten noorden van Dorkwerd, zoals ook getekend is op sommige oude kaarten van Groningen, als op „Correctissima nee non Novissima Dominii et Provinciae Groningae et Omlandiae Tabula per Fred. de Witt" en die van Lud. Tjarda a Starkenborgh (Coll. Bod. Nijenhuis. Port. 46, Nrs 28 en 29) en op die van C. Allard. Dominii Groningae nee non maximae partis Drentiae. Maar op andere is het (dus foutief) een eind ten zuiden van Dorkwerd geplaatst, zooals op die van A. F. de Wit. Tabulae Dominii Groeningae etc. (Coll. Bod. Nijenhuis, Port. 47, No. 102), op de Nrs 23 en 24, Port. 46 uit die collectie, op de Kaart van N. F. Coenders. Groningen et Ommelandiae Tabula of geogr. beschr. van de Provincie Groningen en Ommelanden van ongeveer 1760 en ook op die van Beckeringh. Hoewel Beckeringh om het huis een zeker gebied teekent, vermoed ik dat het rechtsgebied niet groter was dan huis en erf. In het Register van Tjassens wordt vermeld „de Heerlijkheid van Platvoetshuis Stede”. Ook komt geen enkel vonnis van die grietenij voor; het voordeel van de eigendom van dien rechtstoel, zoals trouwens van de meeste in Groningen, zal dus voornamelijk bestaan hebben in het recht tot het notarisambt.