Afdrukken

GESCHIEDKUNDIGE ATLAS
VAN
NEDERLAND
DE REPUBLIEK IN 1795
MET DE HEERLIJKHEDEN, AMBACHTEN
ENZ.

DETAILKAART IN I9 BLADEN DOOR A. A. BEEKMAN
CARTONS: DE ZUIDERGRENZEN IN DE l8E EEUW
EN DE BARRIÉRE-STEDEN DOOR DE. W.A.F. BANNIER
DE RIJNVERDEELINGEN IN DE 17e EN 18e EEUW
DOOR J. W. WELCKER

COMMISSIE VAN DEN GESCHIEDKUNDIGEN ATLAS.

Prof. Dr. P. J. Blok Voorzitter), Leiden
Dr. W. A. F. Bannier, Utrecht.
A. A. Beekman, Den Haag.
Dr. H. Blink, Den Haag.
F. A. Hoefer, Hattem.
Mr. S. Muller Hzn., Rotterdam.
Mr. Dr. J. C. Overvoorde, Leiden.
J. J. Ramaer, c.i., Den Haag.

's-Gravenhage
MARTINUS NIJHOFF
1913

ALGEMENE INLEIDING.

Bij de samenstelling van dezen historische atlas is voor de geografische vormen van Nederland tot grondslag genomen de Topografische Kaart des Rijks van het Ministerie van Oorlog. Bekend toch is dat de kaarten van vóór de Krayenhoffsche opname wat de vormen betreft min of meer, de meeste zelfs zeer veel te wensen overlaten. Slechts enkele zijn in dit opzicht vrij goed te noemen, zoals die van het Hoogheemraadschap Delfland van 1712 door Cruquius, die van de Uitwaterende Sluizen van Kennemerland en West-Friesland van de 19e eeuw en een paar andere. Toch geven vele andere kaarten aanwijzingen waarvan met vrucht gebruik is te maken, als nl. de bedoeling van het voorgestelde duidelijk is. Waar oriëntering en vormen onjuist zijn, kunnen die dan naar de Topografische Kaart worden verbeterd. Intussen doet zich wat het tekenen van historische kaarten van Nederland aangaat ene moeilijkheid voor, die voor dergelijke van het buitenland in het geheel niet of slechts in geringe mate bestaat, de moeilijkheid nl. die het gevolg is van de aanhoudende veranderingen van de bodem en de wateren in de lage alluviale helft des lands. De natuurlijke gesteldheid van de Rijnprovincie bv. was in 1300 juist dezelfde als in 1800, op een weinig betekenende verlegging of afsnijding van een riviervak na en in een geschiedkundigen atlas van dat gewest kan de historie altijd op dezelfde geografische kaart worden ingetekend. Niet alzo wat Nederland betreft. Vooral de grote veranderingen in de middeleeuwen in den loop der benedenrivieren in Holland, de tijdelijke en blijvende landverliezen en de gedurige bedijkingen en herdijkingen van gronden, zowel in het Zuidwesten als in het Noorden des lands, zijn oorzaak dat reeds een gering verschil in tijd wijzigingen meebrengt in de kaart. En dikwijls zeer belangrijke wijzigingen. Deze atlas nu heeft vele voorstellingen te geven op staatkundig, rechterlijk en kerkelijk gebied, die nagenoeg alle op verschillende tijdstippen vallen, waarop dus ook de fysische gesteldheid des lands verschillend was. Ik heb er aan vastgehouden, ook al had dit met het doel van de kaart niets te maken, die gesteldheid altijd zoveel mogelijk in overeenstemming te doen zijn met het tijdstip van de voorstelling. Dit geldt echter alleen voor de tijd na 1300- 1350. Van vóór die tijd bezitten wij te weinig gegevens om daaruit een enigszins groot gedeelte van de kaart met enige zekerheid te kunnen construeren. Voorstellingen van die oudere tijden, waarvan enkele ook in dezen atlas voorkomen, zijn meer te beschouwen als veronderstellingen die trachten zoveel mogelijk de werkelijkheid nabij te komen. Bedoelde moeilijkheid komt grotendeels neer op de beantwoording van de vraag: Welke waren op dat tijdstip de juiste oever- en kustlijnen? Ik heb daarvoor overal genomen de hoogwaterlijn. De laagwaterlijn, dus ook de bij ebbe droogvallende gronden te tekenen zou zelfs voor vele kaarten van het begin van de 19e eeuw nog niet mogelijk zijn, althans zoo deze op enige nauwkeurigheid mochten aanspraak maken. Ook heb ik gemeend overal de buitendijken (langs zee en open rivieren) te moeten tekenen. Zonder deze toch zou in de eerste plaats de voorstelling van de natuurkundig – aardrijkskundige toestand onjuist geworden zijn: dan zouden nl. geheel afgesloten binnendijkse wateren tot rivierarmen of open riviertakken of tot getijrivieren zijn gemaakt een vals beeld dus. Daarom zijn de binnendijkse en de buitendijkse wateren ook met twee verschillende kleuren resp. zwart en blauw aangeduid. Maar ook de waarde, het gebruik, de geschiktheid voor nederzettingen, enz. van de bedijkte landen en van de nu en dan aan overstroming blootgestelde buitengronden zijn in het algemeen zoo verschillend, dat ook voor de geschiedkundige de kennis van het onderscheid van die beide soorten van gronden wel degelijk van belang kan zijn. Voor het overige meen ik te kunnen verwijzen naar de verklaring op de kaarten zelve en naar de daarbij behorende tekst.
A. A. Beekman

DE REPUBLIEK IN 1795

INLEIDING.

Deze kaart heeft zeer veel arbeid gekost. Toch is zij hier en daar nog onvolledig.

Al zie ik er nl. met voldoening op terug, dat het mij gelukt is vele bijzonderheden op te sporen en in tekening te brengen, ik moet bekennen dat er nog menig punt is overgebleven, waaromtrent ik óf in het geheel geen óf niet voldoende licht heb kunnen verkrijgen. Men bedenke, dat, al weet men dat iets bestaan heeft en waar en hoe het ongeveer bestaan heeft, dit nog niet voldoende is om het op een kaart in tekening te brengen. Door onbekendheid en door onzekerheid moest ik hier en daar iets weglaten.
Een enkele maal geraakte ik in twijfel: twijfel nl. aan de wenselijkheid om iets dat op verschillende plaatsen onvolmaakt was het licht te doen zien. Uitlatingen van anderen, die de moeilijkheid van het onderwerp kennen, deden mij wel eens aarzelen. Maar de overtuiging dat „iets beter dan niets” is en dat, zoo men slechts geen fantasie in plaats van werkelijkheid stelt, de wetenschap ook met het niet geheel volmaakte gediend kan zijn, deed mij besluiten te volharden tot het einde, dit is tot de voltooiing van deze kaart, die in elk geval veel bevat wat nimmer in kaart gebracht is en een tot nu ontbrekend overzicht geeft van de staatkundig-rechterlijke toestand van de Republiek.
Bij het tekenen heb ik mij tot richtsnoer gesteld: alleen datgene voorstellen wat zeker is of een grote mate van waarschijnlijkheid bezit. Anders weglaten.
Intussen geldt hierop een uitzondering. Voor de grenzen nl. van de rechtsgebieden in een groot gedeelte van de Provincie Groningen, nl. in Hunsingoo, Fivelgoo en het noordelijk deel van het Westerkwartier heb ik ook een groot aantal „vermoedelijke* lijnen als grenzen getekend die, naar ik meen, toch een beter denkbeeld van de waren toestand zullen geven dan wanneer ik ook die geheel had weggelaten. Daar in de bij de Kaart behorende tekst alles uitvoerig wordt toegelicht met opgave van de gebruikte bronnen, zoo kan de lezer zelf oordelen in hoever hij aan het getekende vertrouwen wil schenken.

Wat de grenzen van de rechtsgebieden, heerlijkheden, enz. betreft, valt de algemene opmerking te maken, dat die op oudere kaarten, ik bedoel die van vóór de 19e eeuw, in de regel zijn weggelaten waar zij over woeste gronden als heiden, duinen of door bossen lopen; waarschijnlijk waren zij dan in vele gevallen niet nauwkeurig bekend. Zelfs geldt dit voor de grenzen van de Staat tegen het buitenland bv. in Brabant langs de Oostenrijkse Nederlanden. Ook moet in het oog gehouden worden dat in zulke terreinen de opgegeven grootte van de gerechten, heerlijkheden, enz. zeer veel verschilt van de werkelijke oppervlakte, omdat de eerste alleen betrekking heeft op de in de verponding aangeslagen gronden. Wij zullen van een en ander nog vele voorbeelden ontmoeten. De hieruit voortvloeiende moeilijkheid was soms slechts op te lossen door in plaats van de ontbrekende grenzen latere gemeente- of rijksgrenzen te nemen, waarvan niet te vinden was, dat zij na 1795 verandering hebben ondergaan.
Maar ook in het algemeen is veel van de latere gemeentegrenzen gebruik gemaakt, daar waar het zeker was dat na 1795 geen verandering heeft plaats gehad of ik althans niet heb kunnen vinden dat de grenzen gewijzigd zijn.
Ook de grenzen van de kadastrale secties en van de onderdelen konden dikwijls met vrucht gebruikt worden. Dit was mijns inziens niet in alle maar toch in vele gevallen veroorloofd, daar volgens de “Methodique Verzameling van wetten, decreten enz. betreffende het Kadaster voor het Franse Rijk van 1812, blz. 43, art. 105” luidt, dat de grenzen van de sectiën, enz. gegrond zijn op „overeenkomsten, gewoonten, natuurlijke en onveranderlijke grensscheidingen”.
De Kaart is per provincie gekleurd; wat buiten de Republiek lag is wit gelaten. Ter vergelijking alleen is ook de tegenwoordige Rijksgrens door een zekere lijn aangegeven.

Op de gehele Kaart is vastgehouden aan dezelfde wijze van voorstelling van de Lagere en van de Hogere rechtsgebieden, nl. door een zelfde soort van lijn voor de grenzen en een zelfde soort van letter voor de namen van elk dezer beide soorten.
In de algemene inleiding wees ik er reeds op, dat op alle kaarten de buitendijken (langs de zee en de open rivieren) getekend zijn.
Op deze Kaart heb ik gemeend ook de oude droog geworden dijken, eenmaal ook natte zeedijken dus, te moeten opnemen, voor zoveel die nog in 1795 aanwezig waren. Met het tot stand komen van nieuwe bedijkingen toch ontstonden o. a. in Holland en Zeeland soms geheel nieuwe heerlijkheden, dus nieuwe rechtsgebieden. De bedijking van daartegen aangewassen gronden bracht in Zeeland vergroting van de heerlijkheid, dus van het rechtsgebied, mee, in Holland in vele gevallen, enz. Men zal dus het verband tussen bedijking van landen en politiek-rechterlijke indeling inzien en daarmee tevens het nut van de kennis van de bedijkingen.

Digitalisering

De oorspronkelijke kaart van Beekman is getekend op schaal 1:200.000 met de indeling van de kaarten met de gelijke schaal van de Topografische Kaart.
Ik heb via-via een set afdrukken op A3 formaat gekregen. Deze heb ik op een hoge resolutie ingescand. Daarna heb ik deze scans getransformeerd en ingepast op de blad indeling van de topografische kaart 1:200.000. Vervolgens heb ik zo goed als mogelijk de grenzen van de bladen nagetekend. In een CAD programma heb ik daarna de vlakken gevormd en aan deze vlakken een database gekoppeld. Op deze manier heb ik een kaart gekregen met verschillende lagen per soort van bestuurlijke eenheid. Van deze lagen heb ik vervolgens zogenaamde shape files gemaakt. Deze kunnen in elk GIS programma worden ingelezen. Zelf maakt ik voor de verdere verdeling en opmaak van de kaarten gebruik van QGIS.
Voor wat betreft de nauwkeurigheid van de kaart. Deze is in eerste instantie afhankelijk van de oorspronkelijke kartering en tekening. Daarna zijn er verdere onnauwkeurigheden ontstaan door het scannen van kopieën op een andere schaal dan de oorspronkelijke kaarten, en het natekenen van de ingescande kaarten. Omdat het een zeer langdurig werk is om de lijnen exact over te tekenen heb ik ze een beetje vereenvoudigd, zonder grote afwijkingen. Wanneer ik de digitale bestanden vergelijk met de huidige kaarten dan zit er een verschuiving en verdraaiing in. Dit heeft als oorzaak een andere kaartprojectie. De topografische kaarten waar Beekman zich op baseerde zijn getekend in de zogenaamde Bonne projectie, terwijl de huidige Nederlandse kaartbestanden meestal zijn gebaseerd op RD coördinaten met de volgende projectie : EPSG:28992- Amersfoort /RD new. Voor de verdeling van de diverse Duitse heerlijkheden heb ik gebruikgemaakt van kaarten van de website : Historische Karte - Rheinland-Pfalz1789 (hoeckmann.de)

De tekst van het bijbehorende boek heb ik ingescand en omgezet in een tekstbestand. Vervolgens heb ik de spelling aangepast aan de huidige spellingnormen. Ook de diverse afkortingen heb ik zoveel mogelijk vervangen door het gehele woord. De zinsbouw heb ik niet aangepast net zomin als het gebruik van het woordje “ik” door de schrijver.