Afdrukken

Jaarboek CBG jaargang 1996 Blz 95

 

De Voncken, edelen of stropers ?

Eveneens in 1561 speelde voor de Bank van Kesteren een conflict van wat andere aard. In mei eiste de gemachtigde van de ambtman een boete van 25 gulden van Dirk Vonck en van zijn broer Roelof Vonck omdat zij met honden op hazen hadden gejaagd en met netten veldhoenderen hadden gevangen. Dat recht was volgens de ambtman voorbehouden aan de "officieren van de Majesteit" -dat wil zeggen de landsheerlijke ambtenaren- en aan de ridderschap. Enige maanden later werd een gelijke eis gedaan tegen Willem van Hattem Jansz en Wielklem van Hattem Aelbertsz en in het jaar daarop tegen Jan Vonck, kerkmeester te Lienden, Jan Vonck Pilgromsz, Gerrit die Gier en Reiner die Gier.

Het werd een slepende zaak. In oktober 1565 werd in het geval van de Van Hattems en de De Giers nog uitstel bedongen. Daarna kwam de zaak tot midden 1567 niet meer aan de orde. Daar eindigt het gerichtssignaat. Het volgende deel is van enige decennia later, maar toen was de kwestie blijkbaar afgedaan, want we lezen er niets meer over

Intussen was liet echter met de zaak tegen de Voncken anders gelopen. De beide eerste aangeklaagden stelden in 1561 dat zij als opvolgers van hun voorouders gekwalificeerd waren honden te houden, te jagen en hazen en hoenders te vangen. hetgeen zij dan ook hadden gedaan zonder tot dusverre door de ambtman of de ridderschap te worden gehinderd. Zij herinnerden eraan dat hun grootvader Dirk Vonck van Lienden en na hem hun vader Hillebrand Vonck dit ook hadden gedaan. Zij ontleenden dit recht aan hun afstamming van een natuurlijke zoon van een heer van Lienden. De eiser stelde daarop dat de Van Liendens niet meer dan heer over half Lienden waren geweest, waartegen de verweerders stelden dit niet relevant was. Opvallend is overigens dit zij geen afstamming claimden van het in de veertiende en vijftiende eeuw riddermatige geslacht Vonck te Lienden maar van een bastaard uit liet geslacht Van Lynden. Ook het feit dit zij het wapen Van Lynden voerden en niet het wapen Vonck, is een aanwijzing dit zij het bij het rechte eind hadden en dit de naamsovereenkomst met de riddermatige Voncken hoogstens op afstammeling in vrouwelijke lijn berustte.

Ter staving van hun riddermatigheid legden de beide eerstgenoemde Voncken kopieën over van drie brieven waarmee hun oom Jan Vonck in 1529, 1530 en 1538 door het stadsbestuur van Nijmegen verschreven was om op de landdag deel te nemen aan de beraadslagingen. Bovendien toonden zij een uittreksel uit het ridderboek van het kwartier Nijmegen waarin door twee opeenvolgende secretarissen Jan Vonck als riddermatige was ingeschreven.

Op de mededeling van de eiser dat sommigen uit de ridderschap op de rechtsvordering zouden hebben aangedrongen, antwoordden zij dat zij zelf van die zijde nooit klachten gekregen hadden, naar dat de betrokkenen dan als partijdig buiten de beraadslagingen (van de Bank van Kesteren) behoorden te blijven.

Ook Jan Vonck Pilgromsz beriep zich het jaar daarna op een traditie van volgens hem tenminste het derde deel van honderd jaar en op zijn afkomst van een natuurlijke zoon waarvan de vader onder meer geweest was "vrij geboren tot Lienden, ter Leede ende diergelicken van meer heerlicheiden". Ook hij toonde het uittreksel uit het ridderboek. Jan Vonck, de kerkmeester. kwam met hetzelfde verweer en herinnerde ook aan de drie eerder genoemde verschrijvingen. die zijn eigen vader als riddermatige had ontvangen. Jan Vonck Pilgromsz verklaarde nader dat Dirck Vonck van Lijnden zijn grootvader was geweest, Pilgrom Vonck zijn vader en de als riddermatig verschreven Jan Vonck zijn oom

Tot een uitspraak kwam het niet bij de Bank van Kesteren. De zaak kwam tenslotte In 1574 in behandeling bij het Hof. De gebroeders Jan en Dirck Vonck uit Lienden hadden een rekest geschreven dat door de kanselier om advies werd gezonden aan de ambtman, die op zijn beurt de buurmeesters van Lienden en de gebroeders Vonck hoorde en om een schriftelijke uiteenzetting verzocht. Die werd door de ambtman op 12 november 1574 aan de kanselier gezonden, waarbij hij schreef dit zolang hij ambtman was geweest (dat was sinds 1538) de Voncken nooit voor edellieden waren gehouden en nooit vonnis hadden helpen wijzen (in de Bank van Kesteren). Zij hadden wel gejaagd, maar waren daarvoor ook vervolgd, in welke zaak nog geen vonnis was gewezen. omdat het gerecht van Kesteren en Zoelen stil lag (kennelijk in verband met de oorlogsomstandigheden).

De buurmeesters, Gelis van Wijck en Dirck van Aalst, schreven dat de Voncken altijd in alle ongelden goedwillig hadden bijgedragen en ten tijde van hertog Karel de klokkenslag hadden gevolgd. De oude Jan Vonck, die de drie verschrijvingen had gekregen. had drie broers gehad: Hillebrand, Pilgrom en heer Gerrit, priester, die ook zichzelf tot de huislieden hadden gerekend, evenals trouwens genoemde Jan Vonck, die niet als riddermatige maar als dienaar verschreven was geweest. Bovendien konden die van Nijmegen met hun verschrijvingen nog geen edellieden maken. Alle Voncken betaalden aan de ongelden mee en Jan en Dirck waren volgens de buurmeesters niet anders dan rijke huislieden, die hun meeste goederen onder Lienden hadden liggen. Als de Voncken vrijgesteld zouden worden van de ongelden, zou dat voor de overige inwoners geen geringe lastenverzwaring betekenen. De buurmeesters drongen er bij de ambtman op aan kanselier en raden een duidelijk en afdoend antwoord te zenden. opdat ''die rijcke huysluiden niet tot edelluiden und di arme huisluiden tot bedelaers'' gemaakt zouden worden.

De buurmeesters ondersteunden hun geschrift met enkele verklaringen. in de eerste plaats van een inwoner van Wageningen, Jan Roelofsz, en van Henrick van Hattem Henricksz de oude uit Kesteren, voordien te Lienden, Waarin zij vertelden dat ten tijde van hertog Karel Hillebrand en Pîlgrom Vonck uit Lienden altijd de klokkenslag hadden gevolgd met de andere huislieden. Zij hadden met de gebroeders Vonck binnen Lochem gelegen en herinnerden zich hoe Pilgrom Vonck daar door de trom van een Overlander had gestoken, hetgeen tot problemen had geleid. Eerstgenoemde had bovendien met hun broer de oude Jan Vonck voor het huis ter Horst gelegen De enige die in de voorgaande vijftig à zestig jaar in Lienden als edelman was beschouwd, was Cornelis van Brakell.

Interessant is ook de verklaring van Jelis van Wijck . Johan van Ewick, Johan van Berch, Adriaen Holl, Wouter Adriaensz, Gerfaes van Groetfelt, Johan van Wijck Thonisz, Willem Hermantsz, Gerrit Vonck, Henrick van Hattem den jongen, Dirrick Harmanss, Jan Harmants, Dirrick van Ewijck, Willem die Cruyff, Adriaen Willemss, Henrick van Lockhorst, Dirrick Berntss, Pilchrom van Wijck, Elis Dirricxss, Henrick Janss, Geriphaes Jeliss, Gelis Janss, Willem Jacopss, Wouter Holl, Steven Claess, Willem Adriaenss en Adriaen Janss den jonghen, dat de Voncken bij hun weten nooit in de gerichtsbank hadden gezeten en dat zij ze niet hielden voor edellieden maar voor huislieden, zoals zij dat zelf ook waren. Enkele namen uit deze groep zijn opvallend. Niet zo zeer de Van Wijcks uit deze groep; zij behoorden tot een ander geslacht. Doch Jerfaas van Grootveld droeg een naam die in de veertiende en vijftiende eeuw als riddermatig gold. In het ridderboek zijn bovendien bij de tweede lijst uit 1555 met latere hand onder het hoofdje Lienden de volgende namen bijgeschreven: Cornelis van Groetfelt, Goessen van Groetfelt, Johan van Groetfelt, Hubert Foyert, Coenraedt van Heteren. Johan van Heteren. Niet alle Van Grootvelds rekenden zich dus tot de huislieden. Ook de Van Lockhorsten hadden andere aspiraties gehad.