Afdrukken

Gens Nostra jaargang 1989

blz 245

DE LAATSTE VONCK VAN LIENDEN?
door DR. J. Belonje

In menige genealogie, vaak van oudere datum, komen een of meer gegevens voor over het uit Utrecht (doorgaans uit Rhenen) of uit de Betuwe afkomstige geslacht Vonck van Lienden. De familie was wijdvertakt en werd dikwijls verondersteld tot de adel te behoren. Hetzij legitiem, hetzij illegitiem kan zij zelfs verwant zijn geweest met de graven (baronnen) Van Lijnden, immers de gebruikte wapens vertoonden vaak een grote overeenkomst. Maar bewijzen daarvoor zijn tot dusverre nergens aangedragen.


Een volledige genealogie Vonck van Lienden is nimmer in druk verschenen. In de zo omvangrijke en uiterst nuttige collectie A. C. baron Snouckaert van Schauburg, bewaard bij de Hoge Raad van Adel te 's-Gravenhage onder nr. 4765, bevindt zich een compilatie van meestal losse gegevens aangaande dit geslacht, zó omvangrijk als elders nimmer is bijeengebracht. De daarin op 30, meestal klein beschreven folio-vellen papier, zijn gelijk trouwens is te verwachten, notities van uiteenlopende omvang en waarde. Uit een verscheidenheid van bronnen werden deze losse gegevens verzameld. Men kan zich voorstellen dat het voor baron Snouckaert een spijtige zaak is geweest dat hij er niet in kon slagen om deze fragmentmassa tot een doorlopend en samenhangend, in genealogische zin verantwoord geheel te brengen.
Merkwaardig is, dat de verzamelaar ten aanzien van het door hem bijeengebrachte niet heeft nagelaten om bepaalde opvallende vraagstukken over de ter sprake gebrachte familie vast te leggen of ook te laten toetsen. Zo blijkt hij zich in verbinding te hebben gesteld met een van zijn medeleden bij de Hoge Raad van Adel, aan wie hij de kwestie van de herkomst van het geslacht Vonck van Lienden heeft voorgelegd. De te hulp geroepene, in zijn tijd een genealoog van naam, was de oud-Overste van de Hollandse Guardes, Maximiliaan baron d'Yvoy van Mijdrecht'. De vraag werd beantwoord per brief dd. 26 december 1818, in aanhef luidende 'Le point mon cher Ami, ce que j'ai trouvé des Vonck van Lienden que j'aurois du vous envoier plus tot, j'espere que cela pourra vous etre utile. Je devais beaucoup me tromper s'il y eut quelque connexion entre ceux et la familIe de Lynden.'Zelf begon de opsteller zijn relaas met de volgende woorden: 'Het geslegt Vonck van Lienden was lange jaren in de Regeering te Reenen dog schijnt aldaar circa 1740 uitgestorven te zijn en de goederen gekomen aan Wilhelmina Vonck, echtgenote van Jonker. Gijsbert Vonck van Lienden.'

Ondanks de wel zeer talrijke gegevens Vonck van Lienden die verwerkt zijn in de collectie Snouckaert en die doen vermoeden dat omstreeks 1740 de stam was uitgestorven, blijkt het dat er niettemin feiten aanwezig zijn, die bevestigen dat er zelfs in de tweede helft der l8de eeuw nog vertegenwoordigers hebben geleefd, zij het dan dat zij niet meer allen te Rhenen woonden. Te Utrecht bijvoorbeeld was een boekhandelaar gevestigd, Jan Hendrik Vonck van Lienden, die in 1753 de bekende kroniek van Culemborg uitgaf 2). Diens weduwe was Beatrix van Nuijs. die 90 jaar oud en kinderloos te Utrecht overleed op 9 februari l807.
Een toevallige vondst in de Alkmaarse notariële protocollen 3) leidde er toen ineens toe, dat er een geheel ander licht op de laatste vertegenwoordigers van het geslacht Vonck van Lienden kwam te liggen. Een reeks akten onthulde namelijk dat er in de tweede helft van de laatst aangehaalde eeuw zelfs nog verschillende naamdragers in leven waren, ook nog personen die te Rhenen bezittingen hadden. Ter wille van de meerdere volledigheid, maar ook om opening te bieden tot mogelijk nader en aansluitend onderzoek, volgt nu de verkorte inhoud van de betreffende documenten:


13 februari 1745. MutueeI testament van Pieter van Campen en diens vrouw Maria Vonck van Lienden te Alkmaar, op de langstlevende en met uitsluiting van de weeskamer, gegoed beneden 2000 gulden. Liet testatrice geen kinderen na dan zou haar goed komen aan haar twee zusters Johanna en Grietje.

8 februari 1771. Testament van Maria Vonck van Lienden weduwe van P van Campen te Alkmaar, ten gunste van haar zusters Johanna, NeeltjeGrietje die testatrices roerende en vaste goederen in de provincie Utrecht zullen ontvangen. Haar mans zusters dochter Antje Gerrits, thans te haren huize verblijvende, staat onder bewind en de over haar gestelde voogden zijn Sr. Cornelis Denman en Pieter Wijdenes, te Alkmaar. en

4 januari 1776. Volmacht gegeven door Maria Vonck van Lienden weduwe van Pieter van Campen te Alkmaar, als mede-eigenares voor 1/3 in een huismanswoning te Agterberg onder Rhenen.

31 mei 1779. Verschenen is Maria Vonck van Lienden wed. van Campen, enige algehele erfgename ab intestato van wijlen haere zuster Grietje Vonck van Lienden in leven gewoond hebbende en overleden tot Rheenen den ... May(4) jongstleden wonende de comparante binnen deze stad, mij notaris bekend, dewelke verklaarde op de kragtigste wijse haar eenigsinds doenlijk te constitueren ende volmagtigh te makende Heer Gerrit van Griethuijsen5 wonende te Wageningen specialijk omme in haar comparantes naam ende van harentwegens ter Secretarije van Rheenen voornoemd in het middel op de Collaterale successie geemaneert, aan te geven de helft in twee stukken tabaks land gelegen onder Rheenen evengenoemd het eene genaemt het Zwarte Land, en het andere Doornehoff waer van de wederhelfte haar Comparante is toebehoorende en daar van te doen opmaeken een behoorlijke specificatie off memorie zoo des zal werden vereischt ... deze te beeedigen en daar bij te verklaeren dat den overledene Grietje Vonck van Lienden, haar comparantes voornoemde zuster zal geen meerdere of andere goederen, den Collateraelen impost subject dan de helft in de twee hier voorengenoemde stukken tabaksland heeft nagelacten om het recht te voldoen, enz.

31 mei 1779. Wederom maakte Maria Vonck van Lienden als weduwe van Van Campen haar testament, nu niet ten gunste van naamgenoten, maar van haar neven Wiggers en Van Heyst.

11 mei 1782. Opnieuw testeerde Maria Vonck van Lienden weduwe Van Campen te Alkmaar, zijnde wel ziek dog egter behoorlik in staat om testament te maken.' Zij legateert aan 'haar neeff de Heer Gerrit van Griethuisen te Wageningen' een stuk tabaksland genaamd liet Zwarte Land, gelegen onder de jurisdictie van Rhenen en aan de dochters van haar overleden neef Harmen Wiggers wonende te Rlienen, een stuk tabaksland genaamd de Doornehoff.

28 september 1784. Laatste testament van Maria Vonck van Lienden weduwe Van Campen te Alkmaar, die verklaarde ziek te zijn. In dit testament herhaalt zij na. de legaten bestemd voor Jannitje, Geert en Krisje Wiggers, de dochters van haar neef Harmen Wiggers.
Van de vier hiervoor ter sprake gekomen zusters Vonck van Lienden zijn er dus twee, Grietje en Neeltje, te Rhenen blijven wonen. Voorts is Johanna ongehuwd te Alkmaar overleden en daar begraven in de Grote- of St. Laurenskerk op 28 februari 1772 (zuidergang 94). Maria's man Pieter van Campen, was al op 13 november 1770 in dezelfde kerk begraven (middengang 230) en zijzelf als enig overgeblevene eveneens aldaar op 7 oktober 1784 (middengang 305). Gelet op de omstandigheid dat de voornaam Grietje nergens anders in de genealogie voorkomt, lijkt de mogelijkheid allerminst uitgesloten dat de ouders van het viertal vrouwen Gijsbert Vonck van Lienden en Grietje van Manen geweest zijn, echtelieden die op 22 mei 1713 geld schuldig erkenden aan Sr. Dirck Roghair,oud-burgemeester en schepen van Rhenen6.
Of Maria Vonck van Lienden nu de allerlaatste van haar geslacht is kan moeilijk worden vastgesteld. Met deze vondst is een stukje aan de legpuzzel van de genealogie Vonck van Lienden toegevoegd, echter zonder dat er iets meer van de puzzel gelegd kon worden.


Noten
1. Nederland’s Adelboek XLVJ(1953), p. 539 sub 3; hij (1753-1831) was Opperschenker en Kamerheer des Konings.

2. A. W. K. Voet van Oudheusden, Historische Beschrijving van Culemborg.

3. Gem. arch. Alkmaar, mv. 584, 604, 605,666 en 667 van de notarissen P. Groen, A. Bootsman en Mr. H. van Daverveldt.

4. De datum bleef hier oningevuld.

5. Mogelijk een zoon van Willem Huijbertsz van Griethuijsen, zie Ned. Patriciaat 1912, t,. 132.

6. De Nederlandsche Leeuw 1911, k. 65.