Afdrukken

 

LXVII 1918

BLZ. 318

1357 Na Sinte Maria Magdalenadach (26 juli)

Alle den ghenen die desen brief zullen sien of lezen doen wij verstaen Henric en Willam, Knapen, Rutger Vonken sonen - verklaren in bezit genomen te hebben het Huis tot Dollenborch met den weerde, zooals hun oude vader Roelof Vonken toebehoorde. Hierop maakte de Bisschop van Utrecht aanspraak, waarop de uitspraak in dit geschil verzocht wordt van Heren Dirc van Lienden die dit charier bezegeld heeft.

Randschrift :

deoderici de lienden.

(Utrecht, Rijksarchief, Dom-Kapitel No. 437).

Diese Urkunde ist noch in anderer Weise bemerkenswerth. In ihr erscheinen vier Söhne des Besitzers der anderen Hälfte der Herrlichkeit Lienden, Rutger Vonken, die erklaren dass sie in Besitz genommen haben das Haus in Dollenborch met den weerde, geradeso wie es ihrem Grossvater Roelof Voncken gehörte. Der Bischof von Utrecht erhob Ansprüche auf dasselbe, daher wurde die Entscheidung in dieser Streitigkeit dem heren Dirc van

 

BLZ 319

Lienden uberlassen, d.h. dem Besitzer der anderen von Elten belehnten Hälfte von Lienden, der diese Urkunde gesiegelt hat. Die Familie Vonken war Besitzer der anderen Hälfte von Lienden seit dem Beginn. des 14ten Jahrhunderts. Wenn daher der in dem Akte von 1357 genannte Rutger Vonken Besitzer der anderen Hälfte von Lienden war, so hätte er nur seinen Familiennamen in dem Akte benützt mit Weglassung des Namens seines Besitzes, während Didderic van Lienden nur von dem Namen seines Besitzes (Lienden Gebrauch machte mit Weglassung des Namens seiner Familie.

Hier folgt ein Akt über Rutger Vonck aus dem Tynsboek der Reichs-Abtei Elfen.

Rutger Vonck woenachtig in den kerspel van Leyndeti in nederbetuen is sculdic vijftenhalven olden tornoezen van den eruen en tyns ghuede hiern bes. dat joncker vaz den voert Ludolfs zoon en johan roever nae the holden plegen tot den hoeve te redinchem geheiten synte vyts Hoff. It, iiij mergen lants op borchoeuell. It. negen mergen in die gheeren. It. iiij mergen op luttelveld. It. i mergen bider Smit. It. i mergen tusschen die twee smeetss traden. It. bm. vp homeden et vij m. vp rtedermeden. Kist.

N.C. Het Necrologium en het Tynsboek van het Adelijk Jufferen- Stift te Hoog-Elten, p. 144.

In späteren Urkunden schrieben sich die Vonken mit Hinzusetzung des Namens ihres Besitzes! Maria Vonk van Linden tot Linden. Auch behielten sie, geradeso wie die Van Lynden in Geldern, das Wappen der Herrlichheit Lienden (Kreuz) als ihr Familienwappen, 1) Der Bischof von Utrecht erhielt als Schenkung vom Grafen Wichman die andere Hälfte von Lienden für das Kloster Hoogenhorst (zur Abtei St. Paulus, in Utrecht gehörend). Der Bischof war somit der Lehensherr dieser Hälfte von Lienden, die in

1) Inscriften von zwei alten Oelporträts des Regierungsrathes Dr. Anton ter Schmitten:

  1. Anton ter Schmitten, Consul, Wesel, et Marine Tack Filius natus 1630 word Anno 1654 Keurvorstelijken Rg. Raadt en Richter tot Büderich, getrouwt Anno 1656 mit Maria Vonk van Linden tot Linden.
  2. Anthonius ther Schmitten Antbonii, Consul, Vesal, et Mariae Tack filius geb. Im December 1630.. . . Churfürstlich Brandenburgscher Regierungsrath. Richter zu Büderich obijt 1669, geheyrathet mit Maria Vonk van Lynden zu Lynden; deren Wappen repräsentirt ein Kt-euz. :m Weseler Kirchenbuch wird 27 August 1659 ein Juncker Johan Vonk von Linden Verwandter der Maria Vonk van Linden tot Linden als Taufzeuge erwähnt; 1688 Maria Vonck van Linden tot Lienden.

 

LXVIII 1919

BLZ 314

VONCK VAN LIENDEN.

In de Navorscher LXVII, 316 Geslacht van Lijnden, leest, men : Allerdings die Besitzer der, einen Halfte von Lienden Von Vonck, here van Lienden, kommen im 14ten Jahr hundert in den Geldrischen Urkunden vor, aber dieselben haben nichts gemein mit den Herren der anderen Hälfte von Lienden , wie auch

 

BLZ 315

Butkens zugibt, trotzdem sie dasselbe Wappen (Kreuz) wie diese führen, und es auch beibehalten haben, wie die van Lynden in Geldern. Es ist das Wappen des Bischof’s von Utrecht, Lehens- , herr der Veluwe dessen Vasallen sie waren durch dem Besitz von Lynden, uncl daher zur Führung des Wappens ihres Lehens-herrn berech tigt waren.

Hoe aanlokkend door klaarheid deze uitlegging der wapenovereenkomst van Vonck van Lienden en Van Lijnden, zich aanbiedt, zij dient o.i. nader gestaafd te worden. Immers, hier wordt de afkomst van Vonck uit Lijnden afgewezen; en al kan ook hun deel in de helft van het leengoed Lienden, aan eene toevalligheid toegeschreven worden, de oorspronkelijke overeenkomst in wapen is niet hiermede gestaafd, Is dat ook wel mogelijk?

Voncken, als bezitters van den Dollenborg zijn bekend door het geschil met den Stichtschen bisschop. Het laat vernemen, dat aan Roelof Vonken het huis tot Dollenborg had toebehoord.

Sinds wanneer? Het charter 26 Juli 1357 vermeldt 5 personen :

‘een vader met 4 zonen : Johan, Roelof, Hendrik en Willem Vonk, die de acte verlijden en bezegelden. Zij kunnen dan op dat tijdstip den mannelijken leeftijd gehad hebben. Stelt men die voor den jongsten zoon op 25 jaren, dan kan de oudste 30 jaren bereikt hebben, dat vergunnen zou het geboortejaar van hun vader Rutger V. op omstreeks 1300 te stellen, Ao. 1300 zou dan Roelof V. - de ‘grootvader der genoemde zonen, bezitter van den Dollenborgh kunnen geweest zijn; althans moeten geleefd hebben. Maar waaruit blijkt, dat van deze familie, hij de eerste bezitter ervan is geweest? Van Buchell noemt een Gijse V. 1260.

Gemelde grootvader vermeenen, wij te herkennen in eene acte 16 Aug, 1312, waarbij Rudolphus Dictus Voncke leenman van St. Paul, afstand doet ten behoeve van den bisschop, van een huis met 32 morgen land in de Marsch tegenover Rhenen (daar lag immers ook de Dollenborg?) Denkelijk had hij dit leen al eenigen tijd bezeten, want zijne vrouw Aleida , - (wijst deze voornaam op een voormoederschap van Aleid Voncke ovl 1379?), verklaarde in eene andere acte van 16 Aug. 1312, dat zij door haar man, aan dit goed gelijftocht was, doch dat de abt van St. Paul het niet had bevestigd. (Vgl. Register v, h. archief der Bisschoppen van Utrecht ’ door mr. S. Muller Fzn p. 56). Zekere Vakener werd nu voorloopig als leenman aangewezen. - Wilde de bisschop hier voor

 

BLZ 316

zich een open huis vestigen? en verklaarde de familie V. zich daartoe later bereid ? – Roelof V. komt nog voor Ao. 1316 en 1317 in het Judiciaal Reg. van bisschop Guido. 1)

Is nu het wapen dezer Voncken een kruis ? Neen. Als zij dan, Vasallen des Bisschof’s von Utrecht waren : zij voerden evenwel des Wappen des Bisschofs von Utrecht a niet, De zegels door deze 5 Voncken aan gemeld Charter gehangen, vertoonen geen kruis, doch alleen een schuinbalk (bij de 4 zonen vergezeld van een verschillend figuurtje). Het is ‘derhalve nog een open vraag ’ in deze studie (de familie van Lynden): wanneer kreeg het wapen Vonk het kruis? Steven v. Rhemen geeft ook aan Vonck van Bors het kruis op rood veld. , Intusschen ons bereid verklarende, er uit te lezen, dat dit dan later of langzamerhand is opgekomen, omdat zij ‘Besitzer der einen Hälfte von Lienden waren, het druischt nog in tegen de legende, dat zij wegens bastaardij uit van Lijnden, dat wapen zouden voeren. In hoeverre echter ? Dirck Vonck en Roelof gebroeders, zouden hebben verklaard, dat ‘sij als descendenten gesproeten sijn van eenen naturlicken Soen wes vader vund heer tot Lijnden gewest es es 2) Zij zeggen o.i, hiermede niet, dat hij een van Lijnden was, maar dat hij heer tot Lijnden geweest is. Hun stamvader was, zoo beweren zij, heer van Lienden. Van welke helft? Of nog voordat die in helften gedeeld was ? of vóórdat de van Lijnden’s in betrekking tot Lienden geraakten ? Het ware dan het regelmatigst hierbij te denken aan de Voncken bovengenoemd, en voor het verschil in wapen de verklaring in Nav. LXVIII blz. 316 te aanvaarden. Minder gunstig voor de aannemelijkheid dezer oplossing, wordt in 1563 verhaald, dat Jan Vonck Pelgromsz. gezegd had, dat hij afstamt van een natuurlijken zoonen daer van die vader onder anderen mehrderstae was vrijgeboren tot Lienden ter Leede enn dier gelicken van meer heerlickheiden 3) ; want de heerlijkheid ter Leede, is immers enkel in de familie van Lijnden vereenigd geworden met Lienden? en dan wordt door deze pretentie direct op de familie van Lijnden gewezen. Feilde Jan V. in zijne

1) De Dollenborg was gesticht door Guido van Henegouwen, vgl. Chron. Tielense, Beka, Heda. Verwoest omstreeks 1318. Geld. Volksalm. 1880 p. go.

2) Dingsignaat van de Hooge Bank van Kesteren 1561 fo. 175 vs 176.

3) Dingsignaat H. B. Kesteren fo. 300, 334 en vo.

 

BLZ 317

mededeeling niet [vanwaar hadden zij hunne wetenschap bekomen ? -de verklaring ertegen »Sulckx conde - (de aanklager wegens jachtdelicten) - mit goede bestendigen bewiesee toe wederleggen, zal wel slaan op de Ontkenning der overtreding en niet op de gepretendeerde afstamming], en waren de Voncken van den Dollenborg nimmer ook heeren ter Leede, dan worden juist zij, door deze toevoeging uitgeschakeld ; doch dan vervalt ook de bovenaangehaalde bewering. Er is nog eene, zij het ook zwakke aanwijzing op de familie van Lijnden, n.1. de min gewone voornaam Hil, Hillen, Hilbrech of Hilbrand = Hillebrand, gebruikelijk bij de Vonck van Lienden’s, en - zegt de schrijver van het aangehaald artikel, blz. 432 »ein im lande Cleve im Mittelalter gebräuchlicher Vorname ; gedragen gedragen door Hillen van Lijnden 13e eeuw, voorvader der Liendensche v. L. ; - en door hem naar Lienden overgebracht? In 1397 is sprake van Hillijn Vonk; een lateren Hillen V., vader van Jan V. nog in 1478 voorkomende, zijnde in proces voor ’ de Hooge Bank van Kesteren met Wolter en Johan, zonen van wijlen Gerrit van Groitfelt, wegens eene questie met deze laatste. (Fragment Dingsignaat H. B. van Kesteren, Algem. Rijksarch.) ; Hillen of Hillebrand V. v. L. 1527 bekend uit het medegedeelde in V. Hasselt’s Geld. Maandw. II p. 204; en verder wordt in lateren tijd die naam nog menigmaal in de familie gedragen, Maar evenzeer als de vóórnaam van heer Hillen van Lijnden 13de eeuw, waren de voornamen van Roelof Vonck den eigenaar . circa 1300 van den Dollenborg, en van zijn zoon Rutger, bij de Vonck van Lienden’s inheems , hetgeen de aanwijzing op van Lijnden weder opheft. De Geld Volksalm. 1880 bespreekt ook de afstamming uit Van Lijnden, en grondt die meening op de Leenreg, van St. Paul : een Dirk bastaard van Lijnden, en (als vader van Hillebrand, wiens zoon is) Jan V. v. L. in 1463 leenman van St. Paul. Hoe beantwoorden de nog bestaande Ieenreg. (aanvangende 1380) dit beroep ? Aangaande genoemden Dirk, dit volgt hieronder; doch inzake een Hillebrand en een Jan V. v. L, in 1463, niets. Deze komen daarin niet voor. Wel wordt elders genoemd 1473 Jan van Lyenden bastaard (man van Aleyd van Zyulen) als beleend met Oud-Avezaat. .

 

Blz 318

Zou echter eene zóó beknopte afstamming ook wel mogelijk ‘wezen? Omstreeks den tijd dat in 1463 een leenman Jan V. v. L zou geleefd hebben, n.1. 1476 zetelden in de H-B van Kesteren Jan en Hubert V., nog in 1477 met Johan de Ruyter en Roelof van Weze. Ook procedeeren dáár toen Jan en Dirk Rutgerszonen Vonck en Rutger V. , Jan Henrikse V en Hillen Henriks , wat onderstellen doet, dat de beweerde afstamming dan althans over veel meer generatiën moet loopen. Ten opzichte van een Dirk bastaard van Lijnden, gewagen de - gemelde leenreg. van Dirk de Wolf bastaard van Lienden, broeder van Jonker Dirk v. Lienden (reeds, evenals zijne dochter Margriet, in 1408 overleden) en van Elisabeth v. Lyenden vrouwe van Heukelom en Millingen, die op St. Andries apostelavond 1408 beleend wordt met den ouden weerd te Kesteren, zooals hare voorouders en haar wettigen broeder Dirk en diens dochter die gehad hebben ; en op denzelfden dag ook beleend wordt met den Schuilenburgschen weerd te Lienden (grenzende aan den Oudenweerd) door afstand van haar broeder Dirk de Wolf bastaard van Lienden. Elisabeth maakte ook terzelfder tijd aan ‘dezen Dirk 28 gouden Frankrijksche schilden ‘s jaar, uit dit leengoed, en hij tocht tegelijk zijne vrouw Lommoede aan 14 dezer schilden ‘s jaars. (Bedoelt de Geld. volksalm. 1880 dezen Dirk de Wolf? Waaruit blijkt dan van zijn vaderschap van Hillebrand Vonck v. Lienden?)

Deze van Lijnden’s worden o.i. teruggevonden in een dossier op het Rijksarch. te Arnhem, betreffende eene procedure wegens den " Xmschen Bongert in de Marsch te Lienden. Daarin is sprake van Dirk van Lyenden heer tot Lyenden en Hemmen ridder 1407, verkoopende in dit jaar uit dien boomgaard aan zijn >neve< Jonker Dierick heere tot Lijnden ende der Lede jaarlijksch erfelijk 40 oude schilden , en in 1408 nogmaals 40 oude schilden. De boomgaard kwam door zijn dood aan zijne zuster Johanna van Lienden vrouwe van Ghymenich, Lyenden’, ter Leede, den Aldenweerd, den Schuilenburg, met het gezicht tot »Oemen<. Haar zoon Johan heer tot Ghymenich, tot Lyenden treedt als haar erfgenaam op 16 Mrt 1461 (of 1451 ). In gemelde processtukken is ook eene quitantie van Johan van Lyenden ’bastaert’, voor de rechten die hij zou hebben op Lienden en ter Leede, en op een lijftocht uit den Hage - en uit den Bastaard tiend, gedagteekend Zondag quasi modo geniti ‘Belaucke Yaersch,na 1463.

 

Blz 319

Intusschen wordt hier niet beweerd, dat in de Leenreg. Van St. ‘Paul de naam Vonck niet zou voorkomen. Integendeel, doch geheel anders.

Op derden dag na Palmdag 1381 wordt beleend Rutger Vonck (is deze niet een nakomeling van Roelof 16 Aug. 1312 en van diens zoon Rutger 26 Juli 1357 ?) met al de goederen onder Meertén en Aalst, zooals zijne voorvaders gehad hebben, waarbij hij ook ‘de Liendensche tijnsen verkreeg. Met ‘zijne vrouw Joncor Heylwich (hoe is haar familienaam?) draagt hij Zondag na O.L.V. dag Ass. 1453 de leengoederen over op hun zoon Huibert V.. Uit de Geld. en Culemb. leenreg. blijkt dat hij ook nog tot zonen had Jan en Dirk en Rutger V., in wie de bovenvermelde namen uit 1476 en 1477 zich weder aan ons voordoen. Schijnt het niet eenvoudiger, 1) hieronder de voorouders der V. v. L. te zoeken? Doch wat bracht dan die pretentie van 1561 en 1563 in de wereld?

Velp. Van oordt

1) Dit onderzoek behoeft o.i. niet bezwaarlijk te gaan. Het verdrag door Henric Vonck (vlg. 7 Mrt. 1492 leenreg. St. Paul), man van Hillegond, 15 Nov. 1518 gemaakt (Geld. 1eenreg.) - als opvolger van Rutger V. beleend 1515, zoon van Jan Rutgersz V. en Mente van Meteren 1476, 1481 -leidt de afstamming terstond op Dirk V. den alden (tocht zijn vader 1534), die, man van Janne de Kemp, voldoende bekend is als stamvader der familie V. v. L.