Afdrukken

XLVI 1896

BLZ. 177

GESLACHT- EN WAPENKUNDE.

DE HEERLIJKHEID LIENDEN

IN

NEDER-BETUWE.

DOOR

JAC. ANSPACH.

1.

OORSPRONG DER GELDERSCHE (BETUWSCHE) VAN LYNDENS.

Bekend is ‘t, en betreurenswaardig tevens, dat Christoffel Butkens, Prior van St. Salvators-convent, het klooster van Pierre Potz, te Antwerpen, deerlijke vervalsching pleegde in het opstellen zijner ,,Annales Généalogiques de la Maison de Lynde ‘, in den jare 1626 ter stede gedrukt 1). Hij moge het gedaan hebben op het gezag, onder den invloed en ten gunste van Ernst van Lynden rijksgraaf van Reckheim, met medeweten en hulp van Jor Adriaan van Winssen, heer van Hoenkoop en Heemstede 2) ; toch behoeft men de brieven zijner tijdgenooten Carel van Riedtwijck en Mr. Cornelis Booth 3) slechts in te zien, om tot het besluit te komen, dat de kwalifikatie ,impostor ‘, hem in 1643 door Mr. Arent v. Buchell gegeven 4), niet onverdiend was; al zocht hij zich ook te verontschuldigen met de bewering, gische, dat de historische, archaeologische, genealogische en vooral ook heraldieke onwaarheden en feilen, waarop hij was betrapt, allen sproten uit de hem door eerst-

1) ,,De Navorscher" XLIV, 259 en XLIII, 213, noot.

2) Ibidem XLIV, 261 (vgl. ibid. XLIII, 649); XLII, 115-17. Zijne weduwe Christina v. Rijnauwen werd 1 Mei 1640 te Utrecht overluid (ibid. XLV, 439)

3) Ibid. XLIV, 258 vg.

4) Ibid. bl. 266 noot.

 

BLZ 178

genoemden Rijksgraaf 1) verstrekte gegevens, door hem lichtvaardig overgenomen en te boek gesteld in overleg met evengenoemden Jor Adriaan. Niet minder staat vast, dat hem toch ook betrouwbare charters moeten toegekend worden 2). Dit is gewis, dat hij in de samenstelling zijner ,,Annales", zoo al niet steeds opzetlijk bedrieger en falsaris, zich toch veelszins als een knoeier heeft doen kennen, wiens hoofddoel was der familie van Lynden herkomst uit de graaflijke geslachten van Este en van Aspremont toe te schrijven 3). Alsof de van Lyndens, - een geslacht, dat eeuwen lang Land, Staat, Kerk, Wetenschap in allerlei omstandigheid diende, in velerlei opzicht huldigde ; en dit ten huidigen dage nóg doet, - alével niet op ouden adel en hoog aanzien steeds konden en kunnen bogen ! Die oude adel, dat hooge aanzien, van meetaf aan hooge alliantiën gepaard, blijke ten overvloede ook uit dit geschrift. Wat den oorsprong van gezegd geslacht betreft: hetgeen verschillende schrijvers, grootendeels met Butkens’ ,,Annales" als uitgangspunt, daaromtrent hebben geboekstaafd, komt op het volgende neder. In Sardinië, graafschap Nizza (Nice), ligt een vlek Aspromonte; ook in Savoje een versterkt kasteel 4), op eene mijl afstands van Chambéry, op de grenzen van Dauphiné, heet alzoo ; in een gebergte noord-oost van Reggio (Modena) vindt men de (berg-)passen van Aspremonte. Een (van Este) van Aspremont (Aspromonte), voerend (als jonger zoon?) Este (in blauw adelaar van zilver) gebroken, verlaat Italië, en belandt in Frankrijk, waar hij een graafschap sticht. Liggen in dit land niet minder dan elf dorpen en vlekken

1) Die Rijksgraaf wordt daarom .Navr" XLIII, 10 zeer karakteristiek als –der moralische Autor der AnnaIes" aangeduid.

2) gelijk Mr. 1. A. Nijhoff doet; zie diens ,Verzameling van Oorkonden" 11 (ao 1833) b1. 109 (i. d. 25 Jani 1359); 111 (ao 1839) bI. 22 (i. d. 2 NOV. 1376). Vgl. ,Navrn XLII, 109 (brief van Scriverius aan Pontanus). In zake de oude heeren

van Heusden noemt de Rijksvrijheer van Spaen (,Inleiding tot de Historie van Gelderland", 111, 203, noot i) hem geloofwaardiger dan Simon van Leeuwen.

3) Vgl. ,Navr’ XLIII, 645, 9.

4) Het werd 19 Dec. 1742 door de Spanjaarden ingenomen.

 

BLZ. 179

van den naam Aspremont of Apremont; men denkt hier aan Aspremont bij Metz ; dit A. toch wordt reeds een graafschap genoemd, toen Siegfried van Este (sic) onder Karel Martel, - lees in casu, Pepin van Herstal ; want Karel Martel werd eerst omstreeks 690 geboren, - in dit jaar wegens zijne betoonde dapperheid door dezen er mede beleend zal zijn geworden. Vele jaren later viel een graaf van Aspremont in de Zaanstreek en Amstelland, en zond den Tielenaar of Teisterbanter Elegast 1) naar Radbod, der West-Friezen koning (ovl 719), te Medemblik, om dezen, die reeds een en andermaal (in 692 en ‘97) door Pepijn geslagen was, Karel Martel’s eisch tot kerstening der West-Friezen en de ontruiming der Zaanstreek te doen vernemen. Sedert 1100 bekleeden de Graven van Aspremont eene plaats onder de aanzienlijkste geslachten van Lotharingen. Hunne nazaten zullen zich gescheiden hebben in twee liniën, nml. van Aspremont en van Lynden, beiden voerend een gewoon kruis in een rood veld; van A. (in Champagne) dit kruis van zilver 2), van L. het kruis van goud; Terwijl als ,armes anciennes" aan van Aspr. wordt toegeschreven .Gedeeld van blauw en rood, met een goud-gebekten en gepootten adelaar van zilver (Este) over alles heen 2). Van hier, - heet het, - de combinatie van Aspremont-Lynden (Graven), welke nog heden bestaat. De oudste tak van v. Aspr.-L. voert 2) In rood een gouden kruis (v. Lynden), met den adelaar van Este tot hartschild; de jongste tak (sedert 1583 Rijksgraven, 19 Sept. 1319 uitgestorven) gevierendeeld: 1. en 4. Lynden, 2. en 3. in goud roode leeuw (Reckheim), met Este als hartschild. Van Aspr.-Lynden van Dormael in België 3), - burggraven van Dormael (Z.-Brabant) 31 Dec.

1) Deze Elegast zal onder Karel Martel in 738 bij Tours (of Poitiers) tegen de Saracenen of Mooren (Arabieren) gestreden en tot loon voor zijne krijgshaftigheid van Karel een zilveren wezel hebben bekomen, welke hij op zijn schild liet afbeelden ! ! Van deze voorstelling maakte Mr. Jacob v. Lennep een dichterlijk, romantisch gebruik; zie zijne ,Poëtische Werken" (a’ 1872), 1, 32, 3.

2) Volg. J. B. Rietstap, .Armorial" (1875), p, 6Ob, waar men leest, dat van Aspr.-L. in Oostenrijk bloeit.

3) Mevr. de gravin v. Aspr.-Lynden zond op de Tentoonstelling te Brussel

 

BLZ. 180

1562, Rijksbaronnen 1583 en 1610, Rijksgraven 16 Maart 1676, - voert Este beladen met Lynden. Terwijl de oudste tak v. Aspr.-L. den adelaar als helmteeken, maar twee hazewinden als schildhouders bezigt ; voerde v. Aspr.-L. van Reckheim en voert P. Aspr.-L. van Dormael o. a. den gezeten hazewind als helmteeken, evenals het Geldersche geslacht van Lynden dit helmteeken en deze schildhouders voert. De onhoudbaarheid nu der afstamming van het geslacht van Aspremont uit het Huis van Este betoogt Adhémar Freiherr von Linden in ,De Navorscher" XLIII, en verklaart aldaar bl. 211, 44 ronduit, dat van Aspr. nooit of nimmer Este als ,,armes anciennes" gevoerd heeft, toont ook bl. 214, 5 aan, dat de combinatie van Aspr.-Lynden eerst in 1676 haar beslag kreeg. Deze edelman, die met groote scherpzinnigheid en zaakkennis in ,,Navr" XLI en XLII, onder het opschrift ,Gefalschte ,,Urkunden", den vinger legde op menige wonde-plek in Butkens’ .Annales" ; wijst ook van Lynden’s afstamming uit van Aspremont beslist af 1). Thans moeten wij herinneren, hoe die afstamming gesteld wordt. Daartoe worde uit een ,,Extrait de la Généalogie de la Famille de Lynden, ‘du Livre aux Généalogies reposant dans les Archives de I’ancienne église cathédrale de Liége" 2), enz. enz. enz. het. volgende ontleend.

Septr 1888 eene in zilver gedrevene en vergulde schenkkan van buitengemeene. schoonheid in.

1) De Navorscher" XLIII, 216 vg.

2) waarvan mij indertijd goedgunstig een afschrift verstrekt is door den Baron van Lynden van Hemmen, den kleinzoon van den heere F. G. baron v. L. v. H., die in 1827 tot verdediging en staving van Butkens’ Annales "Twee Brieven over de Ridderorde van ‘St. Jacobs broederschap" het licht deed zien. Onder den indruk van dit werk, waaromtrent ,,Navorscher" XLIII, 221 getuigt : ,,Der Baron hat in wahrhaft advokatischer Weise die Allgemeinheiten vertheidigt, aber álle urkundliehen Nachweise sind ihm unbekannt; nur willkürliche Behauptungen setszt er den ihm ‘vom Historischen Standpunkte an entgegengehaltenen, niederschmetternden Argumenten, entgegen;, - onder den indrbk van dit werk schreef ik mijn opstel in ,Geld. Volksalmanak" 1880, waarvan bl. 14, 36, 8, 9,52, 3. 63 [het vers boven den schoorsteen in de groote zaal van het Huis ter

 

BLZ. 181

  1. Arnold van Aspremont, ARNOLDIJS ASPERMONTIUS, ridder, onderneemt met Godfried van Bouillon, die gezegd wordt zijn neef geweest te zijn, in 1096 een kruistocht naar het Heilige Land, verwerft, als held teruggekeerd, door de gunst des Bisschops van Utrecht, omstreeks 1106 de hand van Helena of Bertha, dochter van Robert van Bo(e)sichem, heer van Beusichem (bij Kulenburg), en bekomt LYNDEN (Lienden) als huwlijksgift 1) er bij. Hij ovl 1150 hoog-bejaard, zij ovl 1140/45. Won
  2. Willem van Lynden, GUILIELMUS DE LINDINIA, ridder, bijgenaamd de linksche, die ook een kruistocht volbracht, en ovl 1186, na in 1149 getrouwd te hebben Agnes van Montbeliard-Altena 2), ovl 1180 3); bij wie

III. Floris van Lynden, gezegd de Jonge, ridder, richter van de Veluwe vanwege den Graaf van Gelre, in 1203 door zijn neef Jan heer 4), van Buren op de jacht gedood. Won bij zijne gade Agnes van Wachtendonck,

  1. Willem, ridder, kruisvaarder in 1202, gesneuveld 1 Aug. 1227 in ‘t gevolg van Utrecht’s bisschop Otto 11 van der Lippe, in den slag bij Ane (Drente). Gehuwd in 1196 met Christina van Brederode, ovl 1211, dochter van Willem van Holland (sic) heer van Brederode bij Margriet gravin van der Lippe 5), won hij

Lede, wesaangaande Jor Floris v. Brakell, drost ter Lede, destijds op dit Huis wonend, ovl 1649, in 1629 niets wist, zie ,,Navr" XLIV, 264], 81, 3, 93 derhalve hier en daar onbetrouwbare gegevens bevatten.

1) Onmooglijk ; want Lienden was toen reeds lang tweeheerig; zie beneden, hfdstk V.

2) Volg. een oud geslachtregister bracht Jolente, erfdochter van Johan heer van Altena, deze heerlijkheid omstr. 1076 aan haren gemaal Dirk graaf van Montbeliart (Rijksvrijheer van Spaan, ,,Inleiding" 111, 210).

3) Zie over dit sterfjaar, in verband met de opgaaf van een soogenaamd Calendarium der abdij van Bern, .Geld. Volksalmanak" 1882 bl. 59 en ,,De Navorscher" XLIII, 481, 2, 93.

3) Niet hij, maar zijn vader Otto I, was, volg. "Navr" XXXVIII, 605, destijds heer van Buren.

5) Destijds waren nog geen Brederodes bekend; zij komen eerst in 1244 voor, zie ,Navr XLIII, 579; XLIV, 181-3 ; vgl. ook ibid. XLIII, 479,83 en ,,Geld. Volksalm." 1882 bl. 60, 1 noot. Voet van Oudheusden, .Beschryvinge van

 

BLZ 182

  1. Floris van Lynden, ridder, gevangen genomen in den slag bij Ane in 1227, kruisvaarder tegen de Stadingers in 1237, en ovl ‘47, na in ‘17 gehuwd te hebben Agnes van Boetselaer l), dochter van Wessel heer van Boetselaer bij Anna van Reifferscheidt ; bij wie

VI Dirk I van Lynden, ridder, gehuwd : 1e met Hadewig van Renesse ovl 1249, dochter van Dirk van Zeyn, heer van Renesse, bij Margriet van Holland 2); 2e nog in 1249 met Margriet van

Culemborg" (Utrecht, 1753), 1, 14, 5 bericht, dat de Bisschop, de heer van Arkel, van Lijnden enz. gesneuveld zijn in den slag tegen Roelof kastellein van Koevorden, die Groningen in 1225 belegerde. Hoewel Slichtenhorst ("Geld. Geschied.’ bl. 150) Otto 11 van der Lippe in overeenstemming met dit jaartal, tot 1225 laat regeeren, deelt hij desniettemin (ibid. bl. 90a) mede, dat Otto in 1227 gesneuveld is ; doch deze Geldersche geschiedschrijver, Butkens’ tijdgenoot, die toch te berichten had, dat Gelre’s graaf Gerard met Boudewijn van Bentheim en Gysbrecht van Amstel bij Koevorden Roelof levend in handen vielen, meldt niets van van Lyndens, vader of zoon. Evenmin A. Matthaeus in zijne .Analecta Veteris Aevi" (Leiden, Wede Sebastiaan Schouten, 1709) 1X, 174, waar vele namen van bij het gevecht ao 1227 omgekomen edelen worden opgeteld. De ,, Auctor Incertus de Rebus Ultrajectinis ao 1138-1232", door A. Matthaeus in 1690 afzonderlijk in druk gegeven, en opnieuw uitgegeven door Mr. C. Pijnacker Hordijk (te Assen) in de Werken van het Histor. Genootschap te Utrecht,Nieuwe Serie N" 49 (ao 1888), p. 46 zegt in ‘t algemeen: "Nomina aliorum magnorum militum (ridders) per singula distinguerem. si de istis mihi cogitanti magis non liberet flere quam describere". Die Auctor Incertus stelde zijne "Narratio" nog gedurende het leven van bisschop Wilbrand (ovl 27 Juli 1233) op (Ibid. p. X111, XIV . Zou Voet van Oudheusden dus niet hier enkel op Butkens zijn afgegaan ?

1) Boetzelaer, Neder-Rijnsch geslacht, met zijn stamhuis in ‘t Kleefsche, wordt wel in den aanvang der 12de eeuw vermeld; doch de eerste, die zich in de Nederlandsche gewesten vestigde, - zegt J. B. Rietstap, "Stamboek van den Nederl. Adel" 1 (ao 1883) bl. 32, - was Rutger V van den B. ovl 1460, gehuwd met Elburg van Langerak, vrouwe van half-Asperen, waarvan de wederhelft toekwam aan hare zuster, de gade van Arend Pieck. In strijd hiermede komt Belia van Polanen, vrouwe van half-Asperen, als Arend’s gade voor, in .Herald. Bibliotheek" 1876 bl. 11; 1882 bl. 135.

2) Rietstap’s Stamboek, 11 (ao 1887) bl. 102, 3, gewaagt van Dirk van Sayn uit het eerste Huis der Duitsche graven van Sayn, uitgestorven met Hendrik 181 in 1246, tak der Graven van Nassau), omstr. 1170 gehuwd met Walburg (sic)

BLZ. 183

Van den rode, dochter van Bernt, kastellein van Montfoort ; zij wordt ook Margriet van Montfoort geheeten. Heer Dirk zal zich den dood van graaf Willem 11 van Holland, gesneuveld 24 Jan. ‘56 in den slag bij Hoogwoude tegen de West-Friezen, zóo sterk hebben aangetrokken, dat hij met toestemming zijner tweede gade, de wereld verliet en monnik zal zijn geworden in de abdij van Onze-Lieve-Vrouw te Middelburg, waar hij ovl ‘66 1). Wint bij die tweede gade

VII. Dirk II van Lynden, geb. ‘50, zal, als heer van Lynden en ter Lee (sic), de derde kampioen geweest zijn op het tornooi te ‘s-Gravenhage, en ,,Aspremont" " 2) geroepen hebben, ter gelegenheid van de instelling der Ridderorde van St. Jacob, eene broederschap van twaalf ridders, ao 1279/90 door Graaf Floris V 3).

van Holland, vrouwe van Voorne, Renesse, Moermont en Haemstede (in Zeeland), bij wie Floris, heer van Voorne, ovl 1203 (gehuwd met Aleid van Herlaer), en Dirk, heer van Renesse enz. (geh. m. Isabella van Looz), den stamvader der Renesse’s. Dirk won Jan van Renesse ovl 1228 of later, die bij Sophia van Borsele had Jan ovl 1253 (geh. m. 1e Margta van Diest, 2e Margta van Arnemuyden) en Pelgrim (monnik in de abdij te Middelburg). Hij voegt er uitdruklijk bij, dat al deze generatiën onzeker .zijn ,soowel wat de opvolging der personen als wat de namen hunner gemalinnen betreft, en dat eerst met Jan (ovl 1253) ‘s zoon Constantijn of Costijn van R. ovl 20 Aug. 1289 de stamlijst der Renesse’s een iets vasteren grondslag bekomt. - In 1821 behoorde aan den Vorst van Sayn- Witgenstein-Berleburg de Pruisische heerl. Homburg (reg. distr. Keulen, kr. Waldbroel).

1) Aldus ook gedeeltlijk Mr. Johan Meerman, vrijheer van Dalem, Geschied. Van Graaf Willem van Holland, Roomsch Koning" (‘s Graavenhaage, bij Nicolaas v. Daalen en Melis Wetters, 1784), 11, 286-90: ,Dirk van Lynden, aan het Huis van Holland vermaagschapt, gebood onder WiIlem van Brederode, die het bevel voerde over den kleinsten der twee hoopen, waarin graaf Willem zijn krijgsvolk verdeeld had. De Graaf gesneuveld zijnde, waren Brederode en Lynden, die op het eerste ontvangen der tijding met hunne benden terug waren gekomen, diep getroffen". Dit nu, met aanhaling van geene andere bron dan Butkens, .Annales" p. 85, komt op louter fantasie neder.

2) Zijn wapenkreet (cri d’armes), naar het heet. Met dien kreet wezen de tornooi-ridders het geslacht aan, waaruit zij afkomstig waren. Zie echter "De Navr XLIII, 483, 4.

3) Van die Ridderorde schijnen alleen Butkens (ao’ 1626), Bn van Lynden v.

 

BLZ. 184

Overleden in 1300, begraven in de abdij van St. Paulus te Utrecht. Had tot gade Agnes van Herlaer 1), dochter van den heer van Ameide.

VIII. Dirk III van Lynden, ridder, erfschenker des Hertogs van Gelderland, ovl omstr. ‘68. Trad omstr. 1312 in den echt met Ermgard van Keppel, dochter van Wouter heer van Keppel, bij Aleid van Aeswyn 2). Haar worden acht kinderen toegekend. Al wat Butkens van de eersten dezer heeren verder heeft verhaald of opgedischt in zijne ,,Annales", kunnen wij gerust, als òf onhistorisch òf onbetrouwbaar, achterwege laten 3). Met Dirk als heer van Lienden, door Butkens Dirk III geheeten, komen wij op geschiedkundigen bodem te staan. Maar overigens, hoe verdacht, hoe onbetrouwbaar is nagenoeg alles! De historiciteit van dien stamvader Arnold van Aspermont en zijne gade Helena moet blijken uit een charter d.d. 29 April 1138, krachtens hetwelk Andreas bisschop van Utrecht kond doet, dat dit echtpaar aan de Utrechtsche kerk drie bunders land zou hebben geschonken in Arnold’s heerschap Lienden (DOMINIO Lindinia) 4). Dit charter vindt men in de ao 1723-34 door Foppens uitgegevene ,,Opera diplomatica et historica", 1, 387, waarin deze Miraeus’ his-

Hemmen (a. w., bl. 14, 47, 83, - a" 1827), A. Beeloo, ,,De Instelling der Orde van St. Jacob" (bl. 35, - a0 1845) en J. Ter Gouw, .Studien over Wapen- en Zegelkunde" (bl. 212, - ao 1865) te gewagen, denklijk uitsluitend op voorgang van eerstgenoemden Butkens ; want die heele ridderorde is overigens onbekend.

1) Zij zal staatsjuffer geweest zijn van Elisabeth van Brunswijk als weduwe van den in 1256 gesneuvelden Roomsch-koning Willem graaf van Holland, die intusschen reeds 27 Mei 1266 overleed!?!

2) ,Geld. Volksalm." 1882 bl. 61 noemt Ermgard’s moeder Jutte van der Sluyse. Rietstap’s ,Armorial" kent een Brabantsch geslacht v. der Sluyse, toerend In rood een rad van zilver. Derhalve, uit den stam der heeren van Heusden ?

3) Het staat ook, met deels foutieve opgaaf van bronnen, in A. J. Van der Aa’s "Biographisch Woordenboek der Nederlanden", hoofdred. Dr. Schotel (Haarlem, J. J. van Brederode), art. Lijnden, met kleuren en geuren geboekt.

4) Bn Sloet, ,,Oorkondenboek van Gelre en Zutfen" (ao 1872) bl. 268 no. 273, uit Foppens’ uitgave, 1, 387.

BLZ. 185

torische bescheiden, nml. diens ,Codex donationum piarum" (ao 1624), ,, Diplomata Belgica (ao 1628) en ,, Notitia Ecclesiarum Belgii’ (ao 1630) gesamenlijk en met supplementen vermeerderd, uitgaf 1). En de gift zal, blijkens oorkonde bij Miraeus (in Foppens’ uitgave t. ‘z. pl.) 24 Mei 1180 zijn bevestigd geworden door Willem van Lynden (de Lindinía), zoon van Arnold, en zijne vrouw Agnes 2). Gezegde charters ao 1138 en 24 Mei 1180 treft men ook geheel conform aan bij Miraeus zelf in zijne ,,Donationum Belgicarum Libri 11 (Antverpiae 1629) 1, 122. Intusschen dragen ze alle innerlijke en uiterlijke kenmerken van onechtheid. Nemen wij in aanmerking, dat Butkens voor het hiervoren aangeroerd oogmerk eenen Arnoldus Aspermontius hoog noodig had, en dat Butkens’ tijdgenooten Mr. Arend v. Buchell en Dr. Cornelis Booth omstr. 1643 over die zoogenaamde charters reeds den staf gebroken hebben 3) als fabrikaat van Butkens zelven; dan ligt het vermoeden voor de hand, dat Aubertus Miraeus, die in 1640 als vicaris-generaal des’ Bisschops en deken te Antwerpen overleed, en dus met den Prior van St. Salvators-convent op bijzonder goeden voet stond, in overleg met Butkens of uit Butkens’ koker deze charters moet hebben opgenomen of ingelascht, gelijk Miraeus dan ook t. a. pl. In 1629 naar de in 1626 uitgekomene ,,Annales" verwijst met deze woorden : ,,De Lindinia vulgo Linden, Batauiae viceo, et familia nobili inde cognomen adepta, consuli poterit R. P. Christophorus Butkens (sic) in Annalibus genealogicis eiusdem Familiae". Hoe ongunstig luidt ook het oordeel van Prof. von Pflugh-Harttung er over! 4)

1) Dl. 1 en 11 gaf Foppens te Leuven in 1723, dl 111 en IV te Brussel in 1734 uit.

2) Vgl. Bn Sloet, a. w., 111 (ao 1876) bl. 1142, noot, waar r. 2 v. o. achter Arnold de komma achterwege bleef, ten gevolge waarvan ibid. bl. 1189b aan Willem abusieflijk Arnold en Agnes tot ouders worden gegeven. Bl. 1189b leze men derhalve: Willem, zoon van Arnold, en (zijne gade) Agnes.

3) .De Navorscher" XLIV, 460, 1, 6 (noot).

4) Zie .Navr" XLIII, 225, 6. Tot staving hiervan kan strekken hetgeen "De Navr" XLIII, 230 opmerkt, dat van het zoogenaamde charter ao 1138 geen origineel bestaat; ten minsten Foppens spreekt er niet van. En bij oudere charters doet Miraeus gewoonlijk aanwijzing van origineelen. Dat Foppens ook niet altoos

 

BLZ. 186

Hoe onmooglijk, maar hoe geschikt voor den toeleg van den schrijver der Annales, is die betiteling van het altoos twee-heerige Lienden als Arnold’s domein ! Nergens elders dan juist bij (Miraeus) Butkens-Foppens ziet men, naar wij meenen, dien Arnoldus Aspermontius en gade Helena vermeld. Lateren spreken van Bertha. Men noemt haar, - onze Extrait doet het, - de dochter van Robert (heer) van Boesichem. Hoe komt men er aan? Mr. Arend van Slichtenhorst, die ao 1645-54 zijne ,Geldersche Geschiedenissen uitgaf 1), en dus Miraeus’ en Butkens’ tijdgenoot was, die daarbij in zijn 1ste boek daarvan, ,Tooneel des Lands van Gelder", bij oude stamboomen gaarne het gebied der legende betreedt, om die op te voeren tot in den nacht der tijden, - Slichtenhorst geeft onder de oude heeren van Beusichem, de voorzaten der heeren van Kulenburg, eenen Rudolf aan, ,die by zommighe t’onrecht Riobert word gedoopt", geb. 1101, ovl 1164/74 ; doch deze leefde te laat om Arnold’s schoonvader geweest te kunnen zijn. Dezes Rudolf’s gelijknamige grootvader, volgens dezen schrijver geb. 1008, ovl 1099, leefde daartoe te vroeg. De Rudolf van Busengheim van Mariënweerd’s Cartularium" 2) 1eefde in 1214 evenals de Rodolf van Bosinkhem bij Bn Sloet "), en dus te laat. Wie is dan toch die Robert (of Rodolf), heer van Beusichem, wiens dochter in 1106 met Arnold in den echt zal zijn getreden? Maar ziet nu! Butkens behoefde eenen graaf van Aspermont, jonger zoon, die Lienden als domein bezat; daarom laat hij hem eene dochter van eenen heer van Beusichem huwen, en Lienden als bruidschat verwerven, en wel door de gunst des Bisschops van Utrecht. Immers eene bekende zaak

even nauwgezet te werk ging, leere bijv. hetgeen in Marienweerd’s Cartularium" bl. 419 door den heer James de Fremery opgemerkt is. En is niet evenzeer de bij Miraeus voorkomende stichtingsbrief van Thorn (Limburg) ao 992 onecht? (zie .Navr" XXXVI, 155, 6).

1) t. Arnheim, by Jacob v. Biesen, gewoontlyken Drucker van den Ed. Hove van Gelderland 1654. Onder de lofdichten, ter eere van den Schrijver en deze zijne uitgaaf, als uitgebreide en omgewerkte vertolking van Pontanus’ .Historia Gelrica" , komt er ook een voor, het laatste in de rij, van W. v. Bronckhorst ao 1645.

2) uitgave van James de Fremery (1890) bl. 22. 3) a. w. bl. 443.

 

BLZ. 187

was ‘t, dat de Utrechtsche Kerk reeds lang vóór den leeftijd van zijn Arnold omstreeks Beusichem bezitting had! 1) Butkens geeft aan zijn Arnold en gade de kapel van St. Augustinus in de abdij van Mariënweerd tot laatste rustplaats, evenals aan Floris van Lynden, volgens hem Lienden’s 5den heer. Nog drie latere heeren, nml. Dirk, den eersten erfschenker, dezes zoon Jan, en kleinzoon Dirk van Lynden laat hij in dit klooster bijzetten, den laatste in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw. Indien nu de eerste heeren van Lienden zulk eene groote betrekking gevoelden op dat van den beginne af en altoos zoo aanzienlijk convent; hoe komt het dan, dat men in gezegd Cartularium geen enkelen v. Lynden ooit vermeld ziet? 2) En dit is toch zoo. Ook kan van die kapellen nergens elders iets blijken, omdat klooster en kloosterkerk reeds lang vóór Butkens’ leeftijd verwoest waren 3). Willem v. L. zal de schenking zijns in 1150 in hoogen ouderdom gestorven vaders Arnold aan de Utrechtsche Kerk uit den jare 1138, volg. Miraeus-Butkens-Foppens in 1180 4), bevestigd hebben in vereeniging met zijne volg. onzen ,,Extrait" in 1180 overleden gade, die Butkens in zijne ,Annales" in 1166 sterven laat 5), terwijl 1186 als zijn sterfjaar wordt gesteld. Dit verschil in het sterfjaar der gade maakte reeds de oorkonde uiterst verdacht. En daarbij : is Arnold’s giftbrief onecht, een fabrikaat, dan is Willem’s bevestigingsbrief het natuurlijk niet minder. Bovendien, is hij de Willem heer van Lienden, die namens zijne gade Agnes van Altena, na doode van dezer broeder, mede aanspraak op Altena meende te

1) Ibid. bl. 91. Reeds ongeveer in den jare 960.

2) Deze opmerking wordt ook terecht in ,,De Navr XLIII, 480 noot 2, gemaakt.

3) .De Navorscher" XLIV, 264.

4) Bij Bn Sloet, a. w., bl. 1142 noot, uit Miraeus’ .Opera" ao 1723-34, dus Miraeus-Foppens, 26 Mei 1189; volg. ,,De Navr’ XLIII, 229, waar de brief staat afgedrukt, 7 kal. Junii (24 Mei) 1180. En deze laatste dagteekening leveren inderdaad Miraeus en zijn verzamelaar Foppens (1, 387). Bij Bn Sloet is dus de opgaaf foutief.

5) Vgl. Geld. Volksalmanak" 1882 bl. 60, noot.

 

BLZ. 188

hebben l), dan heeft hij veel later geleefd, want die (kinderloos overleden) broeder, Dirk heer van Altena, moet in 1232 nog geleefd hebben 2). Wij voor ons gelooven echter niet, dat Dirk’s behuwdbroeder tot het Neder-Betuwsche Lienden in betrekking heeft gestaan. Met zijn ,Lienden" is, onzes inziens, een ander Lienden of Linden bedoeld ; evenals gewis de in 1129 vermelde Reimar van Linden, alsmede Godfried van Lynden, die kort vóor Juni 1255 goederen omstreeks het nieuw-gestichte klooster ‘s-Gravendal, bij Goch, van graaf Otto 11 van Gelre ter leen bezat 3), en evenzeer Bela van Lienden, de zonder nakoomlingschap, denklijk ongehuwd, overleden dochter van Rudolf de Cock van Weerdenburg bij Margriet van Batenburg (ovl 1299 4), - Batenburg heeft eene buurschap Liende(n), - niets met het Neder-Betuwsche Ln gemeen hadden. Ook bezuiden Groesbeek ligt een Linden 5), om van het N.-Brabantsche Linden, en misschien het dito Liem(p)de, te zwijgen. Alles noopt, dunkt ons, om de historiciteit van Arnoldus Aspermontius en zijn zoon Willem van Lynden (Guil. de Lindinia), in betrekking tot het Neder-Betuwsche Lienden, in twijfel te trek-

1) Ba v. Spaen, a. w. 111, 212. Het land van Altena is tegenwoordig eene landstreek, distrikt ‘s-Hertogenbosch, tusschen de Merwe, de opgedroogde oude Maas en den Biesbosch, ongeveer 7000 morgen groot; de voormalige eenige stad en hoofdplaats was Woudrichem of Woerkum, aan de Merwe (J. v. Wijk Rzn, .Aardrijksk. Woordenboek", ao 1821, o. h. w.). Ook heeft te Almkerk (in die landstreek) een sterk slot Altena gelegen (ibid., Supplement ao 1836 op Altena).

2) ,De Navorscher" XLIII, 493. De echtverbintenis van Agnes van Lynden (ovl 25 Oct. 1211, begr. in de abdij van Rijnsburg) als dochter van Willem 1 van Ln bij Agnes van Montb.-Altena in 1210 met Willem van Teylingen (ovl 1244, oudsten zoon van Hugo bij eene van de Merwede), heer van T., Langerak en de Lecke, ridder, vermeld in charters dd. 21 Aug. en 3 Nov. 1200 en 20 Febr. 1201, - zie Rietstap’s .Stamboek v. d. Nederl. Adel" 11 (1887) bl. 217, -is dus ook uiterst verdacht. Wm van L. zal hertrouwd zijn met Halewijn van Egmond, dr v. Wouter (ovl 1217 in Syrië) bij Clementia van Gelder.

3) Bn Sloet, R. w., bl. 250, 756.

4) Nijhoff, ,Oorkonden" 1, bl. 181 noot.

5) ,,De Navorscher" XLII, 34. Zoo met dit Linden maar niet bedoeld zij het N.-Brabantsche (Land van Kuik).

 

BLZ. 189

ken. Maar dan gaat het niet aan, omdat er ao 1281-88 een Arnold ridder van Linde vermeld wordt l), - hoe vernuftig de duiding : "Aspermontius" verhaspeld uit ,,a Spermonte" (uit Spremond, in Luik 2), ook zij, - een lid uit het oud-adellijk 3) Limburgsch geslacht van Linde, dat in Linne 4), aan de Maas ten zuid-westen van Roermond, zijne bakermat bad, als burchtvoogd of kastellein van Spremond, omstr. 1293 naar het Neder-Betuwsche Lienden te laten verhuizen 5), ter oorzake dat Spremond en Linne kort vóór 1258 gezegd worden als ‘t bezit voor te komen van één(e) persoon, en wel van Elisabeth dochter van Hendrik hertog van Brabant, die als weduwe van Dirk graaf van Kleef, hertrouwde met Gerard heer van Wassenberg en Spremond, wien zij overleefde, en uit wiens nalatenschap zij Spremond en Linne verkreeg 6). De bewee-

1) ,,De Navorscher" XLII, 431, 2. Die Arnold moet wel oud geworden zijn, indien de in 1282, en misschien veel vroeger, meerderjarige Wouter van Linde zijn kleinzoon is geweest. Zie ook ibid. XLIV, 7, 8 (Bijlage achter aflev. S), XLV, het geneal. paradigma tegenover bl. 392.

2) Ibid. XLIII, 227, 8, 30. 3) Zie ibidem, bl. 48, 9.

4) Liane = Linde, blijke o.a. uit ibid. XLII, 431, 3, 5, eñz. a" 1280, 1 enz. A0 1390 Lynne (ibid. bl. 442) of Martenslinne (ibid. XLIII, 49 noot 1). Ook het Neder-Betuwsche Lienden komt ao 1028 als Lienna, ao 1050 als Lienne voor [Nomina Geogrca Neerlca 111 (ao 1893) bl. 169, 701. Toch bespeurt men later scherpe onderscheiding. Zoo wordt in de oorkonde van den Landvrede d.d. 25 Jan. 1359 Didderic van Lyenden, ridder, naast Johan van Lynne, ridder, opgeteld, als deelnemers aan dat Verbond (Nijhoff, a. w., bl. 109, 10). En dit wel, ofschoon deze Johan (van Linne) te Didam, waar Elten veel bezit .had, in 1467 gegoed was (Herald. Biblk 1883 bl. 143, 7). De door Elten beleende van Lienden’s of van Lynden’s stonden bij de abdij zelve als onderscheiden van de v. Lynne’s of v. linne’s bekend. - Ook tikt Nijhoff (,Oorkonden" 111 bl. 165, 220) Butkens

op de vingers, omdat hij (.Preuves", p. 43) Arnt v. Lyenen (Lienen) ao 1390, 99 Arnt v. Lyenden noemt. - In J. B. Rietstap’s ,Beknopt Aardrijksk. Woorbdk" (Groningen, J. B. Wolters, 1892) bl. 311 leest men, dat Linne in 1258 als eene stad is vermeld; dit gewis met het oog op ,opidum Linne" i. d. 25 Novr van dat jaar (zie de oorkonde bij Bn Sloet, a. w. n0 812). Opidum duidt in ‘t mid. Latijn een burcht met omliggende huizen, en ook een marktvlek aan.

5) ,,De Navorscher" XLIII, 224. Gelukkig; dat ibid. bl. 337 zulks voor ,befremdend" verklaart.

6) Bn Sloet, a. w., bl. 793. In 1288 verkocht graaf Reinald 1 van Gelre o.a.

 

BLZ. 190

constatering, dat met dit Linne van omstr. 1258 bedoeld wordt het Neder-Betuwsche Lienden l), is een dwaze uitvlucht, want dit laatste is nooit in ‘t bezit geweest van eenen heer van Wassenberg ; ook wordt hierbij de toenmaals reeds lang bestaande twee-heerigheid van Lienden, - waarover later, - geheel voorbijgezien. De bewuste duiding, zoo vernuftig als ze is, heeft enkel beteekenis en waarde als poging ter verklaring of waarschijnlijkmaking, hoe Butkens aan zijn eersten en oudsten figurant geraakt mag zijn. Is dit aanneemlijk, dan volgt de ontleding van Butkens’ historiografie wat de stamouders der van Lyndens betreft, verder vanzelf, daar ons deze uit Luik en Limburg doet overstappen naar het hart van Gelderland. In den navolgenden trant. Arnold’s gade Helena van Bo(e)si(n)chem kan, evenals Minerva uit Jupiter’s hoofd, uit zijn vindingrijk brein te voorschijn zijn gekomen, toen hij bemerkte, dat Dirk en Steven van Lynden, knapen, in 1307 met acht andere aanzienlijke edelen, onder wie Jan heer van Arkel, waren borg gebleven voor Johan van Boesinchem (en van Kulenburg) en zijn zoon Hubert in zake de openstelling van den burcht te Maurik (in Neder-Betuwe) voor Gelre’s Graaf 2) ; - dat ook een Johan van Lienden met anderen als neef van Johan van Boesinchem de oorkonde van 6 Dec. 1318 had bezegeld, krachtens welke laatstgenoemde Johan als heer van Kulenburg, aan deze plaats stadsrechten gaf 3). - Wordt zij ook wel Bertha genaamd:

zijn kasteel Spremond aan Hendrik graaf van Luxemburg en aan Walram van Luxa heer van Ligny (ibid. bl. 1108. 9). De heerl. Wassenberg, oostwaarts grenzend aan het Limburgsche Montfo(o)rt en eene van de oudste bezittingen der Geldersche graven, is, volg. Nijhoff, "Gedenkwaard. in Oorkonden" 1 (ao 1830) bl. VI, eerst na den in 1289 geëindigden oorlog met Brabant’s Hertog, aan dezen afgestaan.

1) Ernst, ,Histoire du Limbourg" dl. lV, volg. .De Navr" XLIII, 223, waar de bladzijde niet wordt aangegeven.

2) Behalve de genoemden waren die edelen: Arnold van Arkel, Hubert van Vianen, Hubert van Soonauwen en Steven zoon van Alard van Boesinchem, militum milites, voorts Sweder van Abcoude, Sweder van Montfoort en Wolter van Sulen. (Nijhoff, ,,Oorkonden" 1 bl. 100, no 94). Over dat ,militum milites" zie mijn opstel in ,De Navr" XLIII, 584.

3) Ven Mioris, .Charterboek" 11, 202 b.

 

BLZ. 191

eene Bertha was te vinden in de persoon van Bertha van Ochten, in 1272 weduwe van Jan heer van Arkel l). - Aan den Bisschop van Utrecht, door wiens gunst zijn Arnold Lienden als huwlijksgift verwierf, kon hij denken naar aanleiding van de omstandigheid dat een (Gosuinus) van Lynden in 1299 met negen andere edelen, waaronder zeer aanzienlijke 2), als medezegelaar optreedt met Henrik van Ochten (zoon van heer Ricold, ridder, graaf van het bezuiden Lienden gelegen Ochten, comes Batuensis) eener oorkonde, waarbij deze zich leenman van dien kerkvorst verklaarde 3). - Vond men weleer een klooster Mariëndaal te Lienden, dat, in 1568 door de Geuzen geplunderd 4), in 1599 nog bestond 5), ; en ligt nog in de Marsch ter plaatse een tiendblok, bekend onder den naam ,De Bisschop en Mariëndaal’ : dit M. kon hem het in 1128 gestichte Marienweerd aan de hand doen als kloosterlijke begraafplaats van zijn eersten en vijfden figurant. De betrekking welke in 1289 (en 1353) tusschen Mariënweerd en de Maria-abdij te Middelburg, beiden van de Orde van Premonstreit, reeds bestond 6), kon hem nopen om zijn 6den figurant (ovl 1266) als monnik in die abdij zijn leven te doen eindigen. Op die manier laat zich heel wat historie schrijven, zegge verdichten ! Evengoed als (met Adhémar baron von Linden) het Limburgsche Linne, kan men aan de Geldersche van Lyndens tot bakermat toewijzen Lienden, Leende 7), Lijnde, ook wel De Liende en Lijnden, te Elst (in Over-Betuwe), welke buurschap denklijk schuilt achter

1) ,De Navorscher" XXXVI, 81, 4.

2) Johan van Lede (Leerdam), ridder, Hubert van Vianen, ridder, Dirk van Stenre, ridder, Willem van Ranwic, ridder, Henrik van Latem, Johan van Woldenberg. Everhard van Middaahten, Wynand en Goossen van Gruythusen.

3) Bn v. Spaen, a. w., IV. Cod. Dipl. no. 16, bl. 31.

4) G. v. Hasselt, ,Stukken voor de Vaderl. Historie" 1, 314.

5) Geldersch Leenregister, Afd. Nederbetuwe, art. Lienden.

6) Zie de correspondentie in James de Fremery’s "Abten van Mariënweerd" ‘s Gravenhage, Mart. Nijhoff. 1888) bl. 27-30, vgl. met .Catularium’ bl. 418, Q.

7) Aldus P. H. Witkam, .Aardr. Wrdbk". Opmerklijk is hierbij de schrijftrant (Elisabetha) Leendana van den ouden Pontus Heuterus ao 1646 (zie .Navr’ XLI, 567).

 

BLZ. 192

de villa Linteruuic, LINTERWIC 1) in Batua" ao 855, waar destijds twee hoeven en een waard lagen, die zekere Folker 7 en 10 November aan het klooster te Werden (kreits Duisburg, rgbz. Dusseldorf) schonk 2). Evengoed? Neen, met veel meer recht, meenen wij, aangezien de eerste historische van Lyndens in den westlijken omtrek van Elst en deze westlijk van en te Elst gelegen buurschap optreden, naar den kant van het Neder-Betuwsche Lienden heen, bijvoorbeeld Goossen of Gosuinus van L. en Dirk en Steven van L. even genoemd. Ook lag in hetzelfde Elst het beneden te vermelden Grevenslag. En hierbij komt dan de scherpe onderscheiding in den schrijftrant, van Lyenden en van Lynne, waarop wij bl. 189 noot 4 gewezen hebben.

1) In casu is er tegen Linde = Lintre (,,Navr" XLII, 480; ‘111, 20, 1, 503-7, 680) ook van deze zijde geen bezwaar. Maar dan mag men ook de plaatsnamen Li(e)nde(n) niet duiden als Lindeboom" (,Nom.-Geogr. Neerl". 111, 346, 66); zulks verbiedt Linde = Lintre. Waarbij komt, dat Linde ook een waternaam is; in Friesland en Overijse1 stroomt de Linde; ze komt bij den.Auctor Incertus ao1232 in Werken v. h. Utrechtsch Histor. Genp’ N. R. 1888 no. 49 in de 12de eeuw als Lenna (Lenne) voor, en in 1436 ziet men vermeld ,Lymborch off den Leen", d. i. Hohen-Limburg, slot en vlek aan het riviertje de Lenne, in het voormalig graafschap (van der) Mark (Nijhoff, .Oorkonden" IV, bl. 126). Dit een en ander verwijst ons hier naar Le(deJ of Les, Leye = e(e), ea, de, ei,,d. i. water; alzoo LIENDEN = rivierplaats. Bijaldien met al de Linde(n)‘s in ons vaderland - in Overijsel twee, in Groningen twee, in Drente, Noord-Brabant en Limburg, - etymologisch-identisch mogen wezen: Lende (Overjjsel), Lent (Gelderland), Leende (N.-Brabant), Lent of Linth (ao 1281 te Contioh, in Antwerpen), Lente (twee in Overijsel, Liendert (0. Hoogland, in Utrecht), Lentert (0. Roggel, in Limburg), Linderte (0. Raalte, in Overijsel), Lintelo of Lente10 (0. Aalten, in Gelderland), Lindele (0. Vriezenveen); dan valt menige Lindeboom" op het terrein onzer plaatsnamen omver. Linden bij de stad Hanover heeft een lindeboom tot wapen (,Deutsche Herold" XX (8’ 1889) no. 5 S. 97); dit kan volks-etymologie wezen, maar ook niet. Leest men in "De Navr" XLIII, 20: ,Der Vater des Peter van Linden ist daher Adam van Linter, und des letzteren Gemahlin ist Elisabetha Ghysens" ; in 1878 woonde te Antwerpen (Markgravenstraat 12) de heer Xaverius Gheijsens, oud-Notaris en oud-lid van den Prov. en .Gemeenteraad ter stede.

2) Bn Sloet, a. w., bl. 47, en Bondam , -Charterboek" (a’ 1783) bl. 32b; zie mijne aanteekening in .Nom. Geogr. Neer]." 111, 169. Bij Assendelft (N.-Hol].) lag omstr. 1120 eene villa Linethereswalda.

BLZ. 193

Butkens’ legende heeft diepen indruk gemaakt. Gaf ze nog in 1875 den door en door kundigen genealoog en heraldicus L. A. F. H. baron v. Heeckeren de woorden in de pen: ,,Lynden is zeer zeker uit Aspremont gesproten 1) ; deed ze den onderzoeklievenden J. B. Rietstap schrijven 2), dat tien Lyndens achtereenvolgens heeren van Ln geweest zijn tot omstr. 1450 toen de heerlijkheid voor hen verloren ging, en noemt hij mitsdien Dirk, den erfschenker, Dirk III, den achtsten heer; - in de Aardrijksk. woordenboeken leest men overal, tot in den jongsten tijd, van (het Huis te Lijnden of) den Toren van Aspremont, als het stamslot van het geslacht van Lynden 3). Gewis heetten oude burchten wel "torens" ; zoo stond in 1681 nog te Hien (0. Dodewaard, in Neder-Betuwe) de Torenvan Welij 4), en Heteren (in Over-Betuwe), had zijn ,,Roode Toren" 5). Doch indien de oorspronklijke burcht der eerste heeren van Lienden, der van Lyndens, Aspremont geheeten had, zou die eeuwenheugende benaming voorzeker aan den grond zijn blijven kleven. En hiervan is nooit iets bekend geweest. Wel is aan den Rijnbandijk, op het punt, waar deze dijk en de Marschdijk elkander ontmoeten, in 1843 een huis gebouwd, bij de ruïne der kapel van Verhuizen, ter plaatse waar daar te voren eene door lieden uit den eenvoudigsten levensstand gebruikte oude woning stond, welk huis nog heden bekend staat als Aspermont; doch die naam is er aan

1) Bijv. in .Herald. Biblk" 1875 blz. 2. Deze edelman overleed te Zutphen Decr 1889, en vond zijn lofredenaar in den heer H. M. Werner, die een treffend ,In piam Memoriam" schreef in de ,,Nieuwe Zutphensche courant" van ‘28 Decr No 104 van den Twintigsten Jaargang).

2) in zijn ,Stamboek van den Nederl. Adel" (Groningen, J. B. Wolters), II (ao 1887) bl. 5.

3) A. J. Van der Aa, Aardrijksk. Wrdbk der Nederl." VII (no. 1846) bl. 309; P. H. Witkamp, ,Aardr. Wrdbk" (ao 1877) bl. 730; J. B. Rietstap, "Beknopt Aardr. Wrdbk van Nederland" (ao 1892) bl. 306.

4) voormalig kasteel der v. Wely’s; Welie is eene buurschap te Hien. Die Toren is kort daarna denklijk Hienderoort geworden; zie .De Navr’ XXVlI, 634, 5.

5) Bekend was ook de Blaauwe Toren; en is nog de Geldersche Toren, te Spankeren.

BLZ. 194

gegeven door dengene, die het bouwen liet l), en denklijk in een woordenboek over dien ouden ,toren" gelezen of er van gehoord had. Want de grond heette altoos Verhuizen, zijnde de benaming der buurschap, waarin het ligt, en was bij de polderbesturen of in de kohieren der verponding nooit onder een anderen naam bekend. Sedert dat dit nieuwe aldus gedoopte huis er stond, noemde men die oude woning wel bij tegenstelling het oude A., zelfs wel Oud- Aspermont, en doet dit nog somwijlen; maar om er terstond bij te voegen ,, of Verhuizen". Bij deze buurschap, Veerhuizen" of ,,Vernehuizen", ook wel ,,Versen" (met de ,Verzestraat") geheeten, teekende Lud. Smidts in zijn ,, Schatkamer der Nederlandsse Oudheden" (bl. 355) in 1737 aan: ,,Bij mij in een seer oud Prentjen van A. P. 2), synde een hoogh muirwerk van een oud kasteel in de Nederbetuwe". Wij houden het er voor, dat dit hooge muurwerk en die oude woning niets anders vertegenwoordigden dan die kapel ; immers in 1648 woonde zekere Hans in ,,de Verhuyser kercke" 3), welke sedert de invoering der Hervorming in verval is geraakt. Zoo zinkt den voorstanders der Aspermont-hypothese de laatste grond onder de voeten weg.